Zoeken
  • Vrijeschool in de buurt?

    kaartje_home02

  • Jaaroverzicht 2015

    tijdlijn_home2

  • Onderzoek keuzemotivatie

    kiezen_vrijeschool

In gesprek met de Inpectie van het Onderwijs over het vernieuwde toezicht

Vanaf augustus 2017 vernieuwt de inspectie het toezicht op besturen en scholen. Eigen verantwoordelijkheid van besturen en scholen voor de onderwijskwaliteit en hun ambities vormen het uitgangspunt voor het vernieuwde onderwijstoezicht. Op die manier blijft het toezicht aansluiten bij de ontwikkelingen in de samenleving en in het onderwijs, stelt de Inspectie van het onderwijs.

Wat betekent dit vernieuwde toezicht in de praktijk en wat gaan vrijescholen en -besturen daarvan merken? Aanleiding voor een aantal vragen aan Hariët Pinkster, directeur Toezicht voortgezet onderwijs en Hanneke Marinus, Afdelingshoofd voortgezet onderwijs, beide werkzaam voor de Inspectie van het Onderwijs.

Wat is de aanleiding voor het vernieuwen van het toezicht?


Hariët:
Wij zagen dat dankzij ons risicogerichte toezicht de basiskwaliteit van veel scholen op orde was. Maar we zagen ook dat er binnen die basiskwaliteit verschillen zaten tussen scholen. De ene school met basiskwaliteit was de andere niet. Dus stelden we ons de vraag hoe we scholen met basiskwaliteit konden stimuleren om de lat hoger te leggen. Tegelijk werd vanuit de politiek de vraag gesteld hoe er meer gedifferentieerd kon worden. In het vernieuwde toezicht worden drie vragen gesteld: wat is voldoende, wat is goed en wat kan en moet beter. We willen beter onderwijs stimuleren door goede voorbeelden te laten zien.

De politiek heeft in een nieuwe wet aangegeven dat het toezicht zich moet richten op twee sporen. In de eerste plaats op de deugdelijkheidseisen: zaken die in de wet zijn vastgelegd en waar scholen aan moeten voldoen voor de basiskwaliteit. En daarnaast de eigen aspecten van kwaliteit: elementen die de scholen en besturen zélf belangrijk vinden.

Hanneke: De inspectie was zelf al aan het vernieuwen en in één keer kwam de nieuwe initiatiefwet Bisschop er tussendoor met een behoorlijk nieuwe invalshoek. Wij denken dat het toezicht er al met al duidelijker van is geworden. Wij oordelen straks alleen op basis van wat is vastgelegd in de wet. Van andere zaken vinden we uiteraard ook wat. Maar alleen op basis van wat in de wet staat zullen wij conclusies voor het vervolgtoezicht trekken.

Had de inspectie voorheen meer vrije ruimte bij de uitvoering van het toezicht?


Hariët: 
De deugdelijkheidseisen zaten al wel in het toezichtskader, maar daar zaten ook eisen bij die gebaseerd waren op wetenschappelijk onderzoek. Dat hebben we expliciet uit elkaar getrokken.

Hanneke: Nu is bijvoorbeeld het geven van feedback door leraren een onderscheidende indicator in ons toezichtskader. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat het heel belangrijk is voor de reflectie van leerlingen. Het onderdeel feedback is nu onderdeel geworden van de ‘eigen aspecten van kwaliteit’. Een ander voorbeeld zijn de genormeerde toetsen. Wij vinden dat heel belangrijk, want daarmee kun je benchmarken wat de resultaten van leerlingen zijn ten opzichte van andere scholen. Dat valt in het nieuwe toezichtkader ook onder ‘eigen aspecten van kwaliteit’.

Hoe intensief wordt de relatie tussen onderwijsinspectie en de schoolbesturen?


Hariët:
Er komt een vierjaarlijks onderzoek waarin onze hoofdvraag centraal staat: Heeft het bestuur zijn zaakjes op orde en wordt de kwaliteitsontwikkeling voldoende gestimuleerd? Als de kwaliteitszorg en de ambitie op bestuurs- en schoolniveau op orde zijn, dan kunnen we daar rekening mee houden bij het vervolgtoezicht. Dan volgen we het bestuur meer op afstand dan wanneer het niet op orde is. Op de website van de inspectie staat een voorbeeldrapportage van het vierjaarlijks onderzoek om besturen alvast een beeld te geven.

Wordt een inspectiebezoek zelf ook anders aangepakt?

Hariët: Wat anders wordt is dat we beginnen met een gesprek met het bestuur. Daarin wordt gekeken op welke beleidssporen een bestuur inzet. Aan de hand daarvan gaan we vervolgens kijken of en hoe dat terugkomt in de scholen en de klassen.

Hanneke: Tot nu toe gingen inspecteurs in het PO en het VO met hun eigen kaders apart naar de scholen toe. In het nieuwe toezicht wordt dat veel meer gestroomlijnd. Een schoolbestuur heeft vaak meerdere scholen onder zich. Als er besturen zijn die scholen hebben in zowel PO als VO , dan krijgt één van beide de lead, waarbij experts op het gebied van de andere sector worden toegevoegd aan het inspectieteam.

Hoe wordt het gesprek met het schoolbestuur gevoerd in het vernieuwde toezicht?


Hariët:
Het begint met een startgesprek met het bestuur. Daarin vragen we het bestuur een analyse te presenteren van de prestaties en ontwikkelingen van hun scholen. Het gesprek gaat over de deugdelijkheidseisen waar de scholen aan moeten voldoen. Daarnaast voeren we een dialoog over mogelijke verbeterpunten en komen de eigen aspecten van kwaliteit aan bod.

Tijdens dit gesprek bespreken we met het bestuur de beleidskeuzes die ze de afgelopen jaren heeft gemaakt. En we spreken af op welke scholen we nagaan hoe deze keuzes zijn uitgewerkt in de praktijk. Dat noemen we de verificatieonderzoeken. Het bestuur kan op haar beurt de inspectie verzoeken om een onderzoek te doen bij een ‘goede school’.

Hanneke: In het nieuwe onderzoekskader hebben wij voorbeelden opgenomen van de eigen aspecten die besturen kunnen hebben. Die komen niet zomaar uit de lucht vallen. Ze zijn gerelateerd aan wat wij in wetenschappelijke onderzoeken terugzien in het kader van goed kwalitatief onderwijs. Het zijn overigens maar voorbeelden. Voor vrijescholen kan het erg interessant zijn om na te denken over elementen waarop zij zich onderscheiden van andere scholen. Als het goed is, dan kan een school of bestuur zijn eigen onderwijsvisie uitstekend kwijt in de ‘eigen aspecten van kwaliteit’ in het nieuwe onderzoekskader. Het is uiteraard wel de bedoeling dat ook die ‘eigen aspecten van kwaliteit’ niet strijdig zijn met bestaande wet- en regelgeving (zoals de wettelijke verblijfsduur van de diverse opleidingen).

Hariët: Wij vinden het belangrijk dat er ruimte is voor die eigen kwaliteit. Dat willen we niet gaan ‘afvinken’, maar we willen daar juist over in gesprek. Als er iets wordt ‘beloofd’ in de schoolgids en we zien dat niet terug in de praktijk en we horen het bovendien niet terug in gesprekken met leerlingen, ouders en leerkrachten, dan zullen we aangeven dat daar meer winst te behalen valt. Dat geldt uiteraard ook voor vrijescholen. Benoem de kwaliteit en laat vervolgens zien waar dat in terugkomt.

Hanneke: Het belangrijkste voordeel van de nieuwe wet is dat je de basiskwaliteit (wettelijk kader) en de aspecten die scholen zelf zien als onderwijskwaliteit uit elkaar trekt. Voorheen kon je het verschil tussen deugdelijkheideisen en de eigen aspecten van kwaliteit niet zien. Dat verschil is straks voor iedereen een stuk duidelijker.

Hoe belangrijk is het schoolplan in het vernieuwde toezicht?


Hariët:
Een bestuur heeft vast strategische plannen. Dat wordt vastgelegd in een schoolplan. Dat is wel belangrijk, maar het hoeft geen dik pak papier te zijn. Het is een toelichting op de plannen en hoe je daar aan wilt werken. Het is vooral voor het bestuur zelf belangrijk om in de gaten te houden of ze nog steeds op de goede weg is. In de voorbereidingen op het gesprek met het bestuur kijken wij ook naar dit plan. Dat hoeft echt niet uitputtend te zijn. We willen ervoor waken dat er allemaal papieren tijgers ontstaan die vervolgens ergens op een plank belanden. Het gesprek gaat onder andere over het schoolplan maar in de eerste plaats over wat het bestuur wil. En wat de scholen willen.

Hanneke: Het is belangrijk dat schoolbesturen hun visie op onderwijskwaliteit expliciteren: benoem het, en laat het zien.

Onderwijskwaliteit van vrijescholen bestaat uit verschillende elementen die samen de pedagogische visie vormen. Gaat de inspectie dan losse aspecten op zichzelf staand beoordelen?


Hariët:
Werken vanuit een pedagogische visie is natuurlijk prachtig. Elke school heeft ook wel een visie. En als dat niet in tegenspraak is met basiswaarden zoals dat in wet geregeld is en het leidt ook nog tot mooi onderwijs en goede resultaten, dan is dat gewoon geweldig. Voorwaarde is dus wel dat een aantal zaken op orde moet zijn. Denk aan de veiligheid, zorg die goed geregeld moet worden en een prettig schoolklimaat. Vervolgens voeren we een gesprek over hoe de school of het bestuur kijkt naar de eigen onderwijskwaliteit. Uit dat gesprek kan blijken dat het gaat om een samenhangende visie.

Hanneke: Vrijescholen hebben een uitgesproken visie. Dan is het ook heel belangrijk dat je goed nadenkt over welke elementen echt onderscheidend zijn en passen in die visie. Dat willen wij graag zien. Het vraagt van de inspectie ook een nieuwe mindset om naar scholen en besturen te kijken. Belangrijk is dat besturen de ruimte krijgen om hun eigen accenten te leggen, als het maar past binnen bestaande wet- en regelgeving.

Hariët: Ik vind dat we die eigen ruimte met het nieuwe onderzoekskader ook echt meer waarderen.

Waar worden jullie als inspectie enthousiast van als je kijkt naar het vernieuwde toezicht?


Hariët:
Ik ben erg enthousiast dat we meer differentiëren. Dat we meer op maat werken en kunnen aansluiten bij de eigen ontwikkeling van scholen en besturen. Wat ik ook goed vind is dat we een dialoog kunnen voeren, een stimulerend gesprek over waar ruimte is voor verbetering, zonder dat het allerlei consequenties heeft.

We zijn ook meer gaan nadenken over wat voor stimulerende toezichtactiviteiten we kunnen vormgeven. Bijvoorbeeld door docenten te laten meelopen tijdens een schoolbezoek, door een startgesprek te voeren, door de school zich te laten presenteren of door een presentatie te geven voor het hele team in plaats van alleen voor de directie en het bestuur. Daar word ik echt blij van, omdat het meer aansluit en recht doet aan de scholen zelf. Besturen en scholen kunnen daar ook heel goed zelf initiatief in nemen. Daar staan wij voor open.

Die stimuleringsfunctie is ook nieuw voor de inspectie zelf.


Hariët:
Zeker! We zijn daarom al twee jaar druk bezig met het uitvoeren van pilots. We maken nu de balans op van alle ervaringen. We hadden pilots, het onderzoekskader is vastgesteld en we zijn nu druk bezig om onze afdeling vo voor te bereiden. Om onze mensen in die stand te zetten.

Klinkt alsof de inspectie inzet op een constructievere samenwerking met scholen en besturen?


Hariët:
Dat is wel het idee achter ons nieuwe toezicht. Aan de ene kant waarborgen we de basiskwaliteit en daarnaast stimuleren we de kwaliteitsontwikkeling en zijn we een kritische vriend.

Hanneke: Wat ik zelf heel positief vind is dat er in Nederland veel autonomie bij de besturen ligt. We vinden allemaal dat het zo hoort. Door het nieuwe toezicht geven we besturen nog meer de positie dat ze hun verantwoordelijkheden moeten oppakken. Waar een bestuurder voorheen nog weleens de verantwoordelijkheid doorschoof naar de schoolleider, kan dat nu echt niet meer.

Komen er handreikingen voor scholen en besturen?


Hariët:
In 2016 zijn er regiobijeenkomsten in het hele land geweest waar we veel besturen mochten verwelkomen. Op de website van de inspectie staat veel informatie over het vernieuwde toezicht, inclusief enkele filmpjes. Als er veel vragen leven, kunnen inspecteurs op aanvraag ook nog de besturen en scholen bezoeken. Inspecteurs zullen daarnaast lokaal ook nog één of twee voorlichtingsbijeenkomsten organiseren in 2017. Informatie daarover kan worden ingewonnen bij de desbetreffende inspecteur.

Wat zou je willen meegeven aan de vrijescholen?


Hariët:
Doordat wij als Inspectie naast de basiskwaliteit ook de eigen kwaliteit van de school meer meenemen in het nieuwe onderzoekskader doen we de scholen en de besturen meer recht. Vrijescholen kunnen nog meer laten zien wie ze zijn en waar ze goed in zijn. En de inspectie heeft de mogelijkheid om daar een waardering aan te geven. Dat is een mooie ontwikkeling.