Zoeken

Vrijeschoolse mediapedagogiek

Dit najaar organiseerde de Vereniging van vrijescholen samen met BVS-Schooladvies en Hogeschool Leiden een conferentie over media(wijsheid) en digitale middelen op vrijescholen in het primair onderwijs. Een conferentie voor leerkrachten, intern begeleiders, schoolleiders, bestuurders van vrijescholen en studenten van de Vrijeschool Pabo.

Kinderen leren dansen met robots

Erno Mijland gaf tijdens de conferentie de workshop ‘dansen met robots’. De onderstaande blog schreef hij naar aanleiding van de conferentie en de workshop.

In het onderwijs bereiden we kinderen voor op een toekomst waarin slimme machines en robots een steeds prominentere rol gaan spelen. Computers schrijven al journalistieke verhalen en robots maken schilderijen als echte kunstenaars.

We kunnen technologie zien als vervanging van alles wat wij liever niet doen: de vaat, de administratie, het gras maaien. We kunnen naar technologie kijken als bedreiging: hebben we nog wel echte gesprekken als onze aandacht wordt opgeslokt door onze mobieltjes.

Een andere benadering is om te onderzoeken of we als mens in samenwerking met slimme machine tot vooruitgang kunnen komen. Geïnspireerd door de titel en de inhoud van het rapport ‘Dancing with robots’ noem ik dat ‘dansen met robots’.

Tijdens twee workshops op de studiedag ‘Op weg naar een vrijeschoolse mediapedagogiek’ op 25 september in leiden ging ik in dialoog met deelnemers over vragen als:

  • Welke eigenschappen maken ons ook op de langere termijn uniek ten opzichte van robots?
  • Welke grote en kleinere menselijke doelen die we nu nog niet aankunnen, worden bereikbaar met nieuwe (robot)technologie?
  • Welke normen en waarden vragen in deze tijd extra aandacht in de opvoeding en ontwikkeling van kinderen?
  • Wat zouden robots kunnen betekenen om het leren en ontwikkelen op een hoger plan te kunnen brengen?
  • Wat moeten we kinderen meegeven, zodat ze straks leidend kunnen zijn in de dans met robots?
Een aantal gedachten die naar aanleiding van deze vragen kwamen bovendrijven:
  • De reactie  ‘Moeten we dit willen?’ op alle technologische ontwikkelingen die op ons afkomen, is niet constructief en niet realistisch. We kunnen ons beter afvragen: ‘Hoe zouden we het willen?
  • Voordat je kinderen in een virtuele wereld brengt, moeten ze de fysieke wereld ontdekt hebben. Het abstracte denken komt pas vanaf 4, 5, 6 jaar. Dat heb je nodig om de virtuele wereld te kunnen begrijpen. Start dus niet te vroeg met het virtuele! Andere uitspraak in dit kader: ‘Laat ze pas sociale media gebruiken als ze al sociaal zijn.
  • ‘Maken’ kan kinderen een onderzoekende, kritischer, niet louter consumerende houding bijbrengen over technologie. Door zelf te programmeren en technologische producten te maken begrijpen ze beter vanuit welke doelstellingen digitale producten worden gemaakt. Scholen zijn gebaat bij nieuwe speelomgevingen waarin maken met moderne technieken centraal staat.
  • Het thema ‘regie’ kwam vaak terug in het gesprek: hoe leren we kinderen hun vrijheid te bewaren, bewuste keuzes te maken uit alle mogelijkheden die technologie ons biedt? Te veel informatie, te veel keuzes… het kan belastend zijn voor je. Kritische vraag daarbij is: in hoeverre kun je zelfsturing leren?
  • Robots falen in filosoferen en metacognitie. Het zijn vaardigheden die je in het onderwijs meer zou moeten ontwikkelen. Het gesprek over waarden en over verantwoordelijkheden moet nog explicieter aan bod komen. Het gaat allemaal over hoe je je als mens verhoudt tot de wereld om je heen. Anno nu is dat een grote wereld, waarin technologie een belangrijke rol heeft.