Thema: herhaling en ritme

Hoe zorgen we dat leerlingen plezier in het leren houden en wij het leren ook betekenisvol kunnen maken? Op de vrijeschool wordt er veel aandacht besteed aan ritme en herhaling. Met een breed vakkenaanbod, rijk aan ritmische werkvormen kunnen we het cognitieve, het kunstzinnige en het praktische aanspreken.

Wat en waarom?

Wie het curriculum van een vrijeschool eens goed bekijkt, ziet dat het rijk is aan terugkerende activiteiten. Zo is er veel aandacht voor de verschillende jaarfeesten en wordt ‘de werking van de nacht’ in het periodeonderwijs gebruikt om de lesstof in een vast ritme te behandelen en te herhalen. Er zijn talloze manieren waarop je als docent dit thema kan laten leven in je lessen. Maar waarom wordt er eigenlijk zoveel belang gehecht aan herhaling en ritme in het vrijeschoolonderwijs? Natuurlijk draagt het bij aan een rustige schoolcultuur, de leerling weet immers wat hij kan verwachten. Maar dat is niet alles. Binnen de vrijeschool wordt aangenomen dat een leerling zich beter en op een dieper niveau kan verbinden met de lesstof en de wereld om hen heen wanneer de lesstof hem in regelmatige en terugkerende bewegingen wordt aangeboden.

Periodeonderwijs

Een voorbeeld is te vinden in het periodeonderwijs waarbij docenten en leerlingen een aantal weken achtereen samen aan het begin van de dag met een specifiek vak en onderwerp bezig zijn. Veel onderwerpen komen later in het schooljaar of in opeenvolgende leerjaren weer terug, zodat verder gebouwd kan worden op wat in een voorgaande periode is geleerd (en vergeten).

Op alle vrijescholen klinkt aan het begin van dit eerste blokuur dezelfde spreuk waarna de leerlingen gaan zitten en de les begint. ‘Naast de spirituele waarde die de spreuk heeft, zorgt het ook voor een gezamenlijk begin van de les’, vertelt Judith Weeteling, docent aan het GGCA. ‘Zonder dat de leerlingen het zelf doorhebben, ervaren ze een moment van rust en ritme. Zeker de leerlingen die een sterke behoefte hebben aan ritme en structuur zijn hierbij gebaat.’

Veel docenten hanteren ook na dit gezamenlijke begin een vaste structuur. Afhankelijk van het vak en de docent wordt er bijvoorbeeld elke ochtend gestart met een klassikale bespreking van de stof die de vorige dag is behandeld. Sommige leraren kiezen er ook voor om de lesstof pas de volgende ochtend te laten uitwerken in het periodeschrift in plaats van aan het einde van de periodeles. Het voordeel hiervan is dat de leerling de tijd heeft gehad om het geleerde in de loop van de dag en in de nacht rustig op zich in te laten werken. In het vrijeschoolonderwijs is ‘de werking van de nacht’ een bekende uitdrukking. Het wijst op de nacht die leerlingen nodig hebben om een onderwerp echt eigen te maken. Wanneer wij onze leerlingen niet vragen de lesstof van die dag direct te reproduceren, geven wij ze de kans om er even afstand van te nemen. Oftewel: ‘er een nachtje over te slapen’. Zoals we wellicht ook bij onszelf herkennen, kan zo’n nacht helpen om concepten daarna te overdenken, te herontwerpen en opnieuw op te bouwen. Natuurlijk hoeft deze diepere verwerking niet tot stand te komen door de leerlingen uitwerktijd te geven aan het begin van de les. Het is goed denkbaar dat er aan het einde van de les tijd wordt gegeven om uit te werken, in dat geval zal de uitwerking een weerslag zijn van de waarneming. In dat geval kan er de volgende ochtend gekozen worden om in dialoog of een andere vorm de stof verder te verwerken. Ook Judith benut de nacht tussen haar periodelessen. ‘Soms geef ik ze bepaalde vragen mee of vertel ik een verhaal zonder enige context of uitleg. De theorie volgt dan de volgende dag, maar eerst hebben ze zelf de mogelijkheid de stof te overdenken en te onderzoeken. De nacht helpt om de stof in te laten werken. Ook als pittige theorie tijdens de les nog niet begrepen wordt, kan het helpen er een nachtje over te slapen. Vaak valt het kwartje een dag of een paar dagen later alsnog.’

Tijdens de periodes speelt het periodeschrift een belangrijke rol bij de verwerking van de stof. De leerlingen verwerken hierin op een eigen manier de leerstof: het zijn persoonlijke werkstukken, met eigen samenvattingen, illustraties en creatieve vormgeving. Dat gaat veel dieper dan zuiver cognitief opnemen van kennis. Ook dit is een terugkerend element in het vrijeschoolonderwijs. Over het algemeen verwerkt de leerling elke periode, zijn hele schooltijd lang, in een eigen schrift.

Vaklessen

Herhaling gebeurt in de vorm van een ritme: een nieuw onderwerp presenteren op de eerste dag, opfrissen, herhalen, opnieuw creëren en toepassen op de tweede dag.

Zoals gezegd lenen de periodelessen zich uitstekend voor deze aanpak, maar hoe zit het bij vaklessen? ‘Ik zie mijn leerlingen maar twee keer per week en dan wil ik ook nieuwe stof behandelen. Hoe kan ik dan aandacht besteden aan ritme en herhaling?’ Dit is een vraag die veel vrijeschooldocenten zullen herkennen. Het liefst ga je uitgebreid in op wat er is bijgebleven van de vorige les, maar in de tijd die je gegeven is, wil je nog veel meer doen. Toch hebben vaklessen een belangrijk voordeel ten opzichte van periodelessen: ze worden doorgaans het gehele jaar gegeven. Dat betekent dat de herhaling en het ritme over een langere periode kan worden gevonden. Lesstof die aan het begin van het jaar wordt behandeld, kan bijvoorbeeld later het jaar herhaald worden of gebruikt bij een bredere opdracht. Bij de taalvakken gebeurt dit regelmatig bij de behandeling van de literatuur. Gedurende het schooljaar lezen de leerlingen een aantal boeken die zij in korte opdrachten bespreken en verwerken. Ondertussen krijgen zij les in verhaalanalyse en leren zij de vaardigheden die nodig zijn om de betekenis van de verhalen te doorgronden. Tijdens de periode- of vaklessen literatuurgeschiedenis wordt ook de historische context gegeven bij de gelezen werken. Gedurende het jaar kan bij de bespreking van elk nieuw gelezen boek worden teruggegrepen op de stof die eerder behandeld is. Veel docenten kiezen ervoor om aan het einde van het schooljaar een grotere (onderzoeks)opdracht te geven waarbij alle gelezen boeken en de behandelde stof samenkomen. Op deze manier vindt de docent een stevig ritme van herhaling in zijn lessen en jaarprogramma.

Schoolbreed

Zoals gezegd is er ook schoolbreed een duidelijke ritme in het programma. Zo wordt in de herfst het Michaelsfeest gevierd, in de winter het Kerstfeest en in de zomer het Sint Jansfeest. Hoewel elke school de feesten op een andere manier zal vieren, staan daarbij dezelfde thema’s centraal. Deze jaarlijkse terugkerende thema’s, zoals bijvoorbeeld ‘moed’ bij het Michaëlsfeest, kun je ook als docent in je lessen verwerken. Gedurende de adventstijd kiezen veel scholen er bijvoorbeeld voor om gezamenlijk de dag bij kaarslicht te starten. Of er klinken op elke adventsmaandag adventsliederen bij binnenkomst. Het zijn de weken die in het teken staan van stilte en bezinning, en juist deze thema’s lenen zich goed voor de inhoud van de lessen.

Vergeten en herinneren

Het leerproces zelf profiteert ook van een ritme: het ritme van vergeten en herinneren. In het leren maken we een onderscheid tussen vaardigheden die regelmatige oefening vragen, zoals taalvaardigheden, muziek, wiskunde en het introduceren van nieuwe leerstof. Nieuwe ervaringen of nieuwe leerstof is vaak het beste te introduceren wanneer eerder geleerde vaardigheden goed eigen gemaakt zijn. Nadat enkele weken intensief met een bepaald nieuw onderwerp gewerkt is in de periodelessen, wordt dit onderwerp weer losgelaten. De leerstof krijgt de tijd om te rusten. Daarna wordt de leerstof weer expliciet in het bewustzijn geroepen. Door deze tijd van ‘rust’, wordt de kennis verankerd in de leerling en bij het terugroepen in het bewustzijn, het ‘herinneren’, blijkt de leerling de stof eigen gemaakt te hebben.[1]

  1. Avinson, K., & Rawson, M. (2014). The task and content of the Steiner-Waldorf curriculum. Edinburgh: Floris Books.

Vrijeschoolkompas