Thema: verhalen vertellen

‘Een verhaal is een spiegel van het gevoel. Het kan mensen in beweging brengen.’ - Miranda Scheperboer, Marecollege Leiden.[1]

Leraren op de vrijeschool vertellen veel verhalen. Dat heeft een duidelijke reden. Hier gaan we in dit thema uitgebreid op in. Je leest eerst over het hoe en waarom van verhalen vertellen. Daarna lees je over de inhoud en de rol van verhalen in het vrijeschoolonderwijs. Tot slot gaan we in op een mogelijke verbreding van de vertelstof.

Om uit te leggen welke verhalen waarom klinken op de vrijeschool, moeten we eerst stilstaan bij het begrip ‘beelden’. Beelden spelen namelijk een grote rol bij verhalen vertellen. Niet voor niets kom je beelden in dit Kompas bij veel thema’s en uitgangspunten tegen. Wat bedoelen we met beelden? Beelden zijn voorstellingen, metaforen of weerspiegelingen. Als leraar roep je beelden op. Met een bordtekening, een dans, een lied of een spreuk, maar juist ook met het vertellen van verhalen. Zeker op de basisschool vertellen leraren elke dag een verhaal. Levendig en als het even kan uit het hoofd.

Waarom doen we wat we doen?

Verhalen vertellen kost veel tijd, dus waarom is het de moeite waard? Om heel veel redenen die we hier kort beschrijven. Samengevat is het luisteren naar verhalen goed voor de taalontwikkeling, draagt het bij aan de algemene kennis, kan het culturen en individuen met elkaar verbinden en stimuleert het het voorstellingsvermogen. Maar verhalen vertellen op de vrijeschool is meer. Verhalen zijn namelijk ook een middel tot sociaal-emotionele opvoeding. Naast taal en kennis over de wereld, heeft een kind ook behoefte aan kennis over het leven, het gevoelsleven en de wilsontwikkeling. Verhalen voorzien in die behoefte omdat ze kennis over het leven, het gevoelsleven en de wilsontwikkeling bevatten.

Hoe zit dat precies? Frans Lutters deed hier vanuit het Lectoraat Waarde(n) van Vrijeschoolonderwijs in 2018 onderzoek naar. Hij bespreekt het verschil tussen intellectueel begrijpen en leren door waarnemen en ervaren. Als leraar kun je met talloze lesvormen een kind aanspreken op het intellectuele begrip. Vertel je een verhaal, dan leert een kind heel anders, namelijk door te luisteren en zich in te leven. ‘De gedachte hierbij is dat de leerling op deze wijze de ervaringen intensiveert zonder versneld tot begripsvorming over te gaan.’[2]

Lutters gaat ook in op de rol van het vertellen van verhalen op de sociaal-emotionele opvoeding van het kind. Verhalen geven een mens, zo stelt hij, de kans om mee te kunnen leven en zich te spiegelen aan de belevenissen van een ander.[3] ‘Leerlingen komen bij het horen en meebeleven van verhalen die verteld worden, in een creatief leerproces terecht dat gericht is op het verwerven van eigen inzich’.[4] Misschien weet je zelf uit ervaring ook dat verhalen innerlijke beelden oproepen. Je herkent iets in het verhaal dat je hoort en vaak leer je iets over jezelf, de ander of de wereld om je heen. Dat werkt bij kinderen precies zo. ‘Verhalen zijn een spiegel van de ziel waardoor de leerlingen zich kunnen ontwikkelen’, meent ook Miranda Scheperboer, leraar aan het Marecollege Leiden. ‘Iedere leerling pikt uit het verhaal wat voor hem of haar op dat moment interessant is.’ Ook hier spelen beelden weer een belangrijke rol. Veel mensen maken namelijk eigen voorstellingen bij verhalen die ze horen. Als luisteraar bouw je een eigen beeld op dat heel verschillend kan zijn van het beeld van een ander. Dat opbouwen van eigen beelden is een innerlijke activiteit die een kind kan helpen in zijn eigen ontwikkelingsproces. Het kind is vrij om zich te identificeren met een willekeurig persoon uit het verhaal, om sympathie of antipathie te ervaren en er iets van te herkennen in zichzelf.

Een volgende belangrijke waarde van verhalen is hun invloed op de morele opvoeding van een kind. We lezen of horen hoe mensen leven, worstelen, zoeken. Verhalen zijn uitdrukkingen van levenswijsheid en levenservaringen, die in beelden gegoten zijn. Morele boodschappen komen op deze manier in beelden tot het kind, waardoor het er zich beter mee kan verbinden. En tegelijkertijd laat het het kind vrij. Denk maar aan het sprookje van Vrouw Holle. Al is het verhaal nog zo suggestief - het ijverige meisje wordt beloond, het op winstbejag gerichte meisje wordt gestraft -, toch werkt het anders dan een opgeheven vinger en de directe boodschap: je mag niet uit egoïsme handelen. Het kind kan in vrijheid kiezen of hij het voorbeeld van het ijverige meisje wil volgen, of niet. Op deze manier kun je als leraar leerlingen een gevoel voor goed en kwaad bijbrengen. Tot het veertiende jaar blijft dit bij een moreel gevoel. Na deze leeftijd zal een leerling de beeldende verhalen gebruiken om nog bewuster een oordeel van goed en kwaad te vellen.

De verhalen bieden dus materie waar kinderen zich aan kunnen spiegelen en aan kunnen ontwikkelen. Het draagt bij aan de sociaal-emotionele opvoeding en aan de morele opvoeding. Juist de werking van beelden en het leren door ervaren en waarnemen speelt hierbij een belangrijke rol. Belangrijk is wel dat de verhalen passen bij de ontwikkelingsfase van het kind (zie leeftijdsfasen). Daarom staan er in elke jaarlaag op de vrijeschool specifieke verhalen en thema’s centraal, uitgekozen op waar de kinderen op die leeftijd staan in hun ontwikkeling. Deze verhalen vertellen leraren in de basisschool vaak dagelijks, op een vast vertelmoment op de dag en los van de leerstof van dat moment. Maar het vertellen beperkt zich op de vrijeschool niet tot dit vaste vertelmoment. Het gebeurt ook ter introductie van een nieuwe periode, rondom de jaarfeesten, de seizoenen en soms ook om sociale processen te begeleiden.[5] Naast de jaarthema’s die zich speciaal richten op de ontwikkeling van de leerlingen, kun je ook verhalen vertellen bij de lesstof die onderdeel is van de kerndoelen of eindtermen. Welke verhalen op welk moment worden verteld, lees je hieronder.

Wat betekent dit voor jou als leraar?

Voordat we uitgebreid ingaan op de vertelstof die in elk leerjaar centraal staat, is het goed om te weten dat leraren op de vrijeschool verhalen vaak uit het hoofd vertellen en niet voorlezen. Beeldend vertellen noemen we dat: wat je vertelt ook echt zelf voor je zien. ‘Als je het verhaal voor je ziet en zelf echt beleeft, zijn je woorden inspirerender. Door uit je hoofd te vertellen, leg je steeds andere accenten. Daar wordt het verhaal authentiek van, het is doorleefd.’[6]Je kunt dan optimaal contact maken met de kinderen. Bovendien ken je het verhaal dan al en kun je het sturen als je dat passender vindt voor de klas. Vertel je het verhaal uit je hoofd, dan zet je het verhaal gemakkelijker kracht bij met gebaren en gezichtsuitdrukkingen die de kinderen mee laten voeren met jouw beleving. Het verhaal is al door jou heen gegaan, je hebt je er als verteller mee verbonden. Dit klinkt door als je aan het vertellen bent. De Engelse taal drukt dat uit door te zeggen: ‘you know it by heart’, je vertelt op dat moment ‘vanuit je hart’. Tijdens het vertellen is er zo een bijzonder contact tussen jou als leraar en de kinderen. Miranda Scheperboer ervaart daarnaast ook een ander belangrijk voordeel van uit het hoofd vertellen: ‘Voorlezen vind ik ook belangrijk. Maar het is veel moeilijker om de spanningsboog vol te houden. Als je vertelt, dan kun je accenten leggen. Meer dialoog. Meer wisselwerking met het publiek.’

De vertelstof

Zoals gezegd vertel je als leraar geen willekeurige verhalen. Voor elk leerjaar (en dus voor elke leeftijdsgroep) bestaat er een verhalenbron. Vrijescholen volgen over het algemeen dezelfde opbouw. Waar gaan die verhalen dan over? Het zijn oerverhalen waar archetypische figuren in voorkomen. In Nederland zijn dat met name verhalen die hun oorsprong hebben in Europa en in het vroege christendom. Veel leraren op vrijescholen beseffen dat dit perspectief niet meer toereikend is wanneer je wilt dat álle kinderen zichzelf en de wereld kunnen herkennen in de verhalen. BVSschooladvies onderzoekt daarom op dit moment hoe de vertelstof verruimd kan worden. Je kunt dan denken aan niet-westerse verhalen, een doorbreking van stereotyperingen en variatie in liefdes en samenlevingsvormen. Hieronder nu eerst de opbouw van de thema’s voor vertelstof die we per klas kort uitwerken.

Wanneer je naar de opbouw van de vertelstof kijkt dan zie je dat de stof als het ware de geschiedenis van de mens door de eeuwen heen volgt. Maar ook van ieder individu afzonderlijk.

Hieronder wordt per jaargroep de keuze voor de vertelstof toegelicht.

In het basisonderwijs

In de kleuterklassen sluit de vertelstof aan bij de fantasierijke wereld van het jonge kind. In de loop van de jaren raakt de vertelstof op de basisschool steeds meer aan de feitelijke geschiedenis. ‘Is dit echt gebeurd, meester?’ zal een enkele keer klinken in de derde klas (groep 5), maar in klas 6 (groep 8) wil ieder kind weten wat echt gebeurd is. Wat is geschiedenis en wat is een verhaal? Vanaf klas 3 (groep 5) krijgen de leerlingen periodes geschiedenis. De geschiedenis van het schrift bijvoorbeeld, het ontstaan van Nederland, de geschiedenis van de plaats waar de school staat. In bijna elk vak is er ook aandacht voor de ontstaansgeschiedenis van het vak. Verhalen spelen juist in deze geschiedenisperioden vaak een belangrijke rol.

  • Het begrip geschiedenis is rekbaar. Zijn de sprookjes van de kleuters van de eerste klas geschiedenis? Ja en nee. Voor een kleuter is tijd iets heel anders dan voor een volwassene. Kleuters leven in het moment, waarin verleden, heden en toekomst nog verborgen liggen. ‘Er was eens…’is heel ver en tegelijkertijd nu en morgen.

Kleuterklassen (groep 1 en 2): bakersprookjes

Op een dag is het herdersjongetje in slaap gevallen. Wanneer het wakker wordt is het lammetje nergens meer te zien. Het jongetje schrikt. “Lammetje, lammetje waar ben je? | Ruth Elsasser, Lammetje waar ben je?

In de kleuterklas spelen kinderen of speel jij als leraar het verhaal vaak na. Bijvoorbeeld met een tafelspel waarin je als leerkracht met kleurige lappen en vilten of houten poppetjes het verhaal uitbeeldt. Een vingerpoppenspel of poppenkastspel werkt hier natuurlijk ook goed. In de kring beelden kinderen vaak zelf het verhaal uit dat jij vertelt. Hierdoor krijgen de kleuters een impuls voor het vrije spel. De verschillende vertelvormen sluiten aan bij de verschillen tussen kinderen. Als kleuters bijvoorbeeld talig minder sterk zijn of thuis een andere taal spreken, helpt visuele ondersteuning door bijvoorbeeld een tafelspel, prentenboek, vertelplaat of vertelkast. De verhaaltjes en tafelspelletjes worden meerdere dagen achter elkaar verteld, uitgespeeld en meebeleefd. De voorspelbaarheid van het verhaal en het mee kunnen doen is vaak heerlijk voor de kleuter.

Bakersprookjes werden oorspronkelijk verteld door kraamverzorgsters. Ze zijn veelal mondeling overgeleverd. Het zijn eenvoudige oersprookjes die zich lenen voor herhaling, ritme en nabootsing. Voor de kleuter zijn dit waardevolle ingrediënten. Het ‘nog een keer’ gevoel en het innerlijk meebewegen is belangrijk. Ook geschikt zijn de eenvoudige sprookjes van Grimm en de prentenboeken van bijvoorbeeld Olle’s skitocht, Tomte Tummetot en de Wortelkindertjes. De leerkracht kiest voor een logische opbouw in de verhalen, veelal gekoppeld aan de seizoenen en de jaarfeesten.

Als u wilt dat kinderen intelligent worden, lees ze dan sprookjes voor. En als u wilt dat ze intelligenter worden, lees dan nog meer sprookjes voor | Albert Einstein

Klas 1 (groep 3): oersprookjes

De wolf legde zijn poot op de vensterbank, en toen ze zagen dat die wit was, dachten ze dat hij de waarheid sprak en deden ze de deur open. Maar wie kwam daar binnen? De wolf. Ze schrokken en probeerden zich te verstoppen… Maar de wolf vond ze allemaal en zonder pardon schrokte hij ze een voor een naar binnen. Alleen het jongste geitje, dat in de klok zat, dat vond hij niet. | Grimm, De wolf en de zeven geitjes.[8]

Een zesjarig kind in klas 1 leeft over het algemeen nog in een wereld waarin alle voorwerpen een ziel hebben en er achter iedere deur een fantasiewereld schuil gaat. De sprookjes sluiten perfect aan op deze beleving.

Geschikt zijn de sprookjes van Grimm, maar ook Arabische en Russische sprookjes. Sprookjes gaan over goed en kwaad, over op pad gaan, over doormaken van beproevingen. Aan het eind overwint het goede en wordt de heelheid (op een ander/hoger niveau) weer hersteld. Ze leefden nog lang en gelukkig.

De eersteklasser ‘weet’ niet dat het verhaal waar hij naar luistert, spreekt over de groei van de ziel, of over de levensopdracht in ieders bestaan, over het gaan betreden van een nieuwe wereld na de kleuterklas, maar hij ‘voelt ‘ het .[9]

Na de kleuterklas raakt het naspelen of uitbeelden op de achtergrond. Nu vertel je als leerkracht het verhaal op een vast moment van de dag, vaak na de periodeles en ochtendpauze. Soms kiest een leerkracht voor het aansteken van een kaarsje en een vast liedje voorafgaand aan het verhaal. Door zo’n vast ritueel komen de kinderen in een bepaalde rust of stemming. Je kunt in de eerste klas hetzelfde sprookje een paar keer herhalen, maar dat hoeft niet.

Klas 2 (groep 4): fabels en heiligenlegenden

Een ogenblik stond ze van schrik vastgenageld aan de grond. Toen sprong ze in paniek naar de deur. Daardoor struikelde de muis over de neus van de leeuw, die wakker werd. | Aesopus’ fabel van de leeuw en de muis.

Het kind in klas 2 herkent iets van zichzelf en de mensen om zich heen in de ondeugende karaktertrekken van de dieren in de fabels. Kinderen kunnen genieten van de streken van de sluwe vos, de vindingrijkheid van de muis en de wijze oplossingen van de uil. Daartegenover staan de heiligenlegenden. De verhalen over de heilige Franciscus, Christoffel en Bernadette. Met het luisteren naar deze verhalen ervaart het kind dat de mens, in tegenstelling tot een dier, zijn eigenschappen kan besturen. De heiligenlegenden verhalen immers over mensen die een bewuste keus maakten in hun leven. De keus voor ‘het goede’. Wij mensen zijn het dus allebei: net als de dieren in de fabels hebben we specifieke karaktertrekken, maar we zijn daarnaast ook in staat om een bewuste keus te maken en ons leven te beteren.

Klas 3 (groep 5): verhalen uit het oude testament

Op een avond zaten Adam en Eva voor hun boshut te wachten op de thuiskomst van hun zonen.Kain kwam aanlopen met zijn armen vol goudgele appels die hij van een boom in het veld had geplukt. Hij gaf ze aan zijn moeder. Toen Eva één van de appels in de hand nam en ze eens goed bekeek, druppelden de tranen uit haar ogen… Net zulke appels als deze, maar stralender, groeiden in het paradijs, in de hemelse tuin. - Jakob Streit, En het werd licht.[10]

Rond het negende jaar, in de derde klas, stappen veel kinderen uit de sprookjeswereld, uit het kinderparadijs en in de wereld van vandaag. Het wordt een kind van deze tijd, van deze cultuur. Het ontdekt dat het een individu is, los van alles en iedereen om zich heen. Dit kan een gevoel van eenzaamheid met zich meebrengen. Anderzijds ontdekt het kind dat het deel uitmaakt van een groter geheel, van een generatie, een cultuur, waar ook zijn ouders, vriendjes en leerkrachten deel van uitmaken.

In het uitgangspunt Leeftijdsfasen schrijven we uitvoeriger over de innerlijk breuk van de negenjarige.

De vertelstof uit het oude testament sluit aan op deze ontwikkeling, op dit besef, want ook Adam en Eva verlaten het paradijs. En het joodse volk gaat, onder leiding van Mozes, op weg naar het beloofde land.

De vertelstof uit het oude testament is nadrukkelijk niet bedoeld als christelijke les. De verhalen zijn bedoeld als beelden. Beelden waaraan het kind zich kan spiegelen. Doordat in de loop van de jaren op de vrijeschool ook de scheppingsverhalen uit de Edda, de Griekse mythen en de Perzische en Indiase cultuur volgen, ontstaat er een divers en levendig beeld van religie en het ontstaan van de wereld.

Klas 4 (groep 6): De Edda (De Noordse mythologie)

De Yggdrasil, linodruk, Nienke Gielen
In het begin was er niets, er was geen zand, geen zee, geen zilte golven. Er was nog geen aarde, geen hemel, er was alleen Ginnungagap. Lang voor de aarde gevormd werd ontstond Niflheim. ….waterdamp sloeg op van de ijskoude massa. Het sloeg weer neer als rijp. De ene laag rijp zette zich af op de andere laag. In het zuiden was toen al Muspelheim, een vuurvonkenwereld ontstaan. In Muspelheim was alles heet en licht, alles brandde, alles vlamde. - Fragment uit De Edda.

Klas 4, het kind is ontwaakt in de wereld om zich heen. Het ontdekt zijn individualiteit. Het ontdekt dat het in feite alleen bestaat, los van de ander. Dit kan pijn doen. Het gaat zich ook afvragen: wie ben ik? Wie zijn mijn vrienden? De rauwe strijd tussen de goden, de mensen en de kwaadaardige trollen en weerwolven uit de Edda weerspiegelen de zoektocht van de negen- en tienjarigen. De goden zijn menselijk geworden en de verhalen uit de Edda laten zien dat de mensen een eigen keuze kunnen maken. Het verhaal eindigt met de ondergang van de Godenwereld. Slechts één zwijgende God (Widar) blijft achter en kijkt toe hoe de mensen vormgeven aan hun leven in Midgard, de wereld tussen Niflheim en Muspelheim. Uit de Godenschemering is een nieuwe en hoopvolle wereld ontstaan, net zoals de ontwikkeling waarin de kinderen in die leeftijdsfase zitten. Een nieuwe fase is aangebroken.

Klas 5 (groep 7): Griekse mythologie

Nephele kwam haar kinderen echter te hulp en ze stuurde hun een ram met een gouden vacht. "Kinderen," zei ze, "op de rug van deze ram zullen jullie veilig door de lucht naar Kolchis - een landstreek bij de Zwarte Zee - gebracht worden, mits jullie niet naar beneden kijken". Helle deed dat echter toch en stortte in zee, op een plaats die sindsdien de Hellespont heet. (Uit ‘Jason en het gulden vlies’, een Griekse mythe)

Na de rusteloze periode in klas 4 komt het kind in klas 5 weer meer in balans.

‘De leerlingen zijn gretig en goed aanspreekbaar- Ze willen veel leren en ze kunnen onvermoeibaar doorgaan. Ze krijgen interesse voor ontwikkeling, voor de samenhang van binnen- en buitenwereld en voor de vragen van leven en dood. Verandering, metamorfose en groeiend bewustzijn, het sluit naadloos aan bij de Griekse mythologie die kleur geeft aan dit jaar.’ (Het goud van Waldorf, p170, Karel Post-Uiterweer)

Vijfdeklassers vinden evenwicht. Ook het lichaam van het kind wordt meer harmonisch. De Griekse goden en godinnen vertegenwoordigen deze harmonie. Zij streven naar liefde, naar wijsheid en naar schoonheid.

Wanneer je in een vijfde klas de Griekse mythologie vertelt, kun je ervaren hoe je deze kinderen, nog net voor de puberteit, alles mag vertellen over de wetmatigheden van de menselijke psyche: het gaat over trouw en ontrouw, over verlangen en jaloezie, over hoogmoed en opofferingsgezindheid.

Een groot deel van de Griekse mythen houdt verband met de Trojaanse oorlog. Deze oorlog ontstond volgens de mythe uit een twist tussen de godinnen Hera, Athene en Aphrodite. Geschiedkundig wordt aangenomen dat aan de oorlog economische belangen ten grondslag lagen. Hoe het ook zij, aan het einde van klas 5 (groep 7) raakt de vertelstof aan de feitelijke geschiedenis, want die Trojaanse oorlog, die heeft werkelijk plaatsgevonden. In de verhalen van Homerus zijn de mensen en godenwereld echter nog geheel met elkaar verweven. De invloed van de Goden op het verloop van de oorlog speelt voortdurend een rol en de terugtocht van Odysseus zit vol bovenaardse, beeldrijke avonturen, als metafoor voor de levensweg van ieder mens.

Klas 6 (groep 8): Romeinse legenden, de middeleeuwse sagen, biografieën

Floris stond op van het graf en bleef niet ver van daar stilstaan. Hij pakte een griffelkoker, met daarin een gouden schrijfstift die Blancefloer hem als teken van haar liefde had gegeven toen hij van haar wegging. Hij trok de griffel uit de koker, hield hem voor zich en sprak:
Blancefloer, deze griffel heb je laten maken en aan mij gegeven, omdat je wilde dat ik aan je zou denken als ik hem zag. Nu ben jij, griffel, mijn enige toevlucht, jij moet me verlossen uit mijn ellende en me doden, ook al ben je me niet voor dat doel gegeven. Vooruit! Doe wat er gedaan moet worden. (Fragment uit Floris ende Blancefloer, 1205-1226)

Aan het eind van de basisschool, in klas 6 (groep 8) worden de kinderen steeds aardser. Het is de vooravond van de puberteit. De wereld van de sprookjes ligt definitief achter hen; de toekomst is leeg en onzeker. Duidelijke regels geven houvast. De leerkracht moet rechtvaardig zijn en consequent. Er moeten sancties volgen voor wie zich niet aan de regels houdt. De Romeinse verhalen geven duidelijkheid. En ze zijn waar. De overblijfselen van het Romeinse Rijk getuigen daarvan. De Romeinen ontwikkelen een eenduidig rechtssysteem. En de Romeinen willen de wereld veroveren en dat ook past bij de zesdeklasser.

Met de legende van Romulus en Remus, die Rome stichtten, begint er een nieuw tijdperk: de Romeinse tijd. Daar begint ook de vertelstof voor klas 6. De kinderen luisteren eerst naar de verhalen over de Romeinse vorsten: koning Herodes, Julius Caesar, keizer Augustus. Daarna volgen middeleeuwse verhalen; de sagen over koning Arthur, Floris ende Blancefloer en verhalen uit Duizend-en-één-nacht.

Een kind in groep 8 kan onzeker zijn. Het is zich zeer bewust van zijn lijf, maar onmachtig het te hanteren. Dan voelt het zich klein en wil geborgen zijn. De wereld van de middeleeuwen met het leven binnen een stad, kasteel of klooster beantwoordt aan die behoefte.

Als onderdeel van de geschiedenisperiodes worden nog meer verhalen verteld: ‘In de periode middeleeuwen wordt de geschiedenis van het christendom naast die van de islam besproken. De biografieën van Mohammed en van Karel de Grote worden bijvoorbeeld bestudeerd. Encyclopedieën, informatie van het internet, informatieve teksten uit studieboeken worden gelezen en vergeleken. Wat is de waarheid? Hoe denken de volwassenen daar over? De kinderen beginnen zich in te leven in verschillende standpunten naast elkaar. Een ontwikkeling die de hele verdere puberteit nog zal doorgaan.’ (leerplan klas 6, van de website van de vrijeschool Utrecht)

Op onze school vertellen we in klas 6 de biografieën van Helen Keller of Nelson Mandela en vanuit de geschiedenis uitlopend in de renaissance Michelangelo. Ook dit jaar heb ik weer mogen beleven dat dit goed aansloot. Alberdine Regoort, vrijeschool de Driestroom, ’s Hertogenbosch.

In het voortgezet onderwijs

De waarde van verhalen vertellen geldt natuurlijk ook voor de middelbare school.[11] Daarom vertellen leraren in de verschillende vakken talloze verhalen waar het past. Natuurlijk leent het vak geschiedenis zich hier bij uitstek voor, maar ook in andere lessen kun je veel overbrengen met verhalen. Denk aan taallessen, bijvoorbeeld als onderdeel van het literatuuronderwijs of aan kunstgeschiedenis waar levens van kunstenaars zeker de moeite waard zijn. De aandacht voor biografieën zien we ook bij de meer exacte vakken als wis-, schei- en natuurkunde. Zo vertellen leraren tijdens de periode Warmte in de elfde klas over hoe de vrouw van Diesel de auto populair maakte.

Leerlingen kunnen door de ontmoeting met literatuur de eigen levensmotieven op het spoor komen. | Miranda Scheperboer, Marecollege Leiden

Er zijn geen vaste verhalen per jaarlaag. Wel zijn er - zoals in het kader hierboven te zien - enkele thema’s die in de schooljaren centraal staan en horen bij de ontwikkelingsfase van de leerlingen. We beschrijven hieronder die thema’s en geven daarnaast voorbeelden van verhalen uit de lespraktijk.

Klas 7 (klas 1 vo): ontdekkingsreizen

Hij voer bevel over de grootste vloot houten schepen die de wereld ooit had gezien. Enorme jonken met negen masten, die de Chinezen bao chuan noemden, werden als schatschepen volgeladen met porselein, zijde en verfijnde kunstvoorwerpen die geruild konden worden voor alles wat het Rijk van het Midden verlangde: ivoor, de hoorn van de neushoorn en het schild van de schildpad, waardevolle stenen, zeldzaam hout, wierook, medicijnen en parels. (over Zheng He, Chinese ontdekkingsreiziger) [12]

De zevendeklasser heeft het oude land, zijn basisschool, verlaten en staat op het punt nieuwe werelden te ontdekken. Niet alleen het schoolgebouw is nieuw, ook in zichzelf betreedt hij nieuwe gebieden (zie leeftijdsfasen). Dit is de basis van het jaarthema: ontdekkingsreizen. Je kunt verhalen vertellen over mensen die het aandurfden om het oude te verlaten, aangetrokken door het onbekende. De ontdekkingsreizigers laten de bekende wereld en haar grenzen los en gaan op zoek naar wat er achter die grenzen is. De verhalen gaan over grote ideeën en idealen en over doorzetten. Het tot dan toe vertrouwde wereldbeeld wordt min of meer op de kop gezet. Achter de horizon verschijnen steeds weer nieuwe mogelijkheden. Je kunt vertellen over hoe mensen de kust van Afrika verkenden, de evenaar overschreden, op zoek gingen naar een snellere route naar India, over de ontdekking van Amerika of de eerste reis om de wereld. Ook kun je biografieën en reizen van ontdekkingsreizigers behandelen. Door verhalen over bijvoorbeeld Vasco da Gama, Columbus en Magelhaes worden de angsten en de gevaren van het leven op zee beleefbaar evenals de moed van de mensen om hun horizon te verbreden.

Je denkt misschien aan verhalen over Hendrik de Zeevaarder en Hermán Cortés, maar wat te denken van vrouwen als Jeanne Barre en Gertrude Bell? Hoe maakten zij zich los van het oude? In een periode sterrenkunde kan Copernicus aan bod komen en bij menskunde Galenus die het menselijke lichaam onderzocht. Ines de Bruijn is lerares wiskunde aan Het Geert Groote College Amsterdam. Zij gebruikt verhalen om leerlingen in verbinding te brengen met de wat abstracte wiskundestof. ‘In de zevende klas geef ik algebra. Ik vertel altijd over de geschiedenis van het cijferschrift en de algebra. Ik vertel over de Babylonische tijd waar er nog helemaal geen notering voor het getal ‘0’ bestond. Ook vertel ik over de Grieken die een negatief getal maar absurd vonden en over de opgegraven wiskundige tabletten met wiskundesommen in spijkerschrift. Er was een tijd dat getallen niet bestonden, hoe deden mensen dat? Hoe tel je hoeveel schaapjes er aan het einde van de dag op je heide staan en hoe schrijf je dat op?’ Ines merkt dat leerlingen zich door deze verhalen verbinden met de lesstof en het nut ervaren van de getallenreeksen waarmee zij werken. ‘Dat nut ondervond ik zelf’, vertelt Ines die tijdens haar opleiding niet echt enthousiast werd van het onderwerp goniometrie. ‘Tot ik me ging verdiepen in de geschiedenis en leerde dat de eerste interesse voor goniometrie ontstond bij de Grieken om sterrenkundige berekeningen te kunnen maken. Later kwam de toepassing bij de landmeetkunde en nu hebben we dankzij de goniometriekaarten ons gps-systeem. Ineens ging een abstract onderwerp voor mij leven en dat gebeurt bij de leerlingen net zo. De verhalen laten de praktische kant van het vak zien. Want wiskunde is niet bedacht om leerlingen het leven zuur te maken, maar om problemen uit het dagelijks leven op te kunnen lossen.’

Klas 8 (klas 2 vo): industriële revolutie

Het groeiende succes van Hargreaves veroorzaakte jaloezie en angst onder zijn buren. In 1768 kwam een woedende menigte bijeen achter het marktkruis van Blackburn. Ze marcheerde naar Stanhill waar Hargreaves in een schuur werkte aan de frames van 20 machines. De woedende menigte vernielde de frames en trok daarna naar het huis van Hargreaves waar, volgens het verhaal, een van de relschoppers Hargreaves dwong om zijn eigen machine te vernielen. [13]

In de achtste klas voert het thema van ontdekken van het nieuwe nog een stap verder met uitvindingen: ontdekkingen in het hanteren van materie. Te denken valt aan James Watt, uitvinder van de stoommachine, die de menselijke arbeid mechaniseerde. Of James Hargreaves, uitvinder van de spinmachine, de grondlegger van de textielindustrie, maar verguisd door de arbeiders, omdat hij hen brodeloos maakte en Marie Curie die de radioactiviteit ontdekte en de eerste vrouwelijke Nobelprijswinnaar ooit was. Natuurlijk kan ook Leonardo da Vinci aan bod komen, waarbij de leerlingen zich kunnen verbazen over hoe veelzijdig opleidingen en mensen in die tijd waren.

Door te vertellen over verschillende samenlevingen en culturen waarin mensen anders leven of denken dan zijzelf, komen de leerlingen in aanraking met diverse leef- en gedachtewerelden. Denk bijvoorbeeld aan hoe de Masaï als nomadenvolk leven zonder vaste woonplaats of hoe oorspronkelijke bewoners van Amerika denken over de relatie met de aarde. Ook de kerstvertelling van Charles Dickens[14] kan achtsteklassers in hun ontwikkeling steunen. Scrooge beseft dat zijn leven hem gemaakt heeft zoals hij nu is, maar hij kan zijn leven in eigen hand nemen. Ook de achtsteklassers krijgen steeds meer hun leven in eigen hand. Net als Scrooge moeten zij nu zelf de regie gaan pakken. Aansluitend staat het thema 'het lot' centraal. Wat is dat, het lot? Wanneer is iets toeval en wanneer zeg je dat iets het lot is? Bij allerlei verhalen kun je deze vraag stellen: bij de biografie van Malala Yousafzai of Gandhi kun je vragen: wat is er nu in hun biografie gebeurd door hun eigen beslissing of hun eigen karakter en wat is hen overkomen, waar konden zij geen invloed op uitoefenen? Zo kan een gevoel voor wat het lot is ontstaan.

Jonathan van Nieukerken (Vrijeschool Zutphen) werd de beste geschiedenisleraar van Nederland. Wat is zijn geheim?
Dat kun je beter aan leerlingen vragen, haha. Wat zij vaak zeggen is dat ik een verhalenverteller ben. Je weet dat je een goede geschiedenisleraar bent als verhalen blijven hangen. Ik vind het mooi om die beleving over te kunnen brengen. Ik hoor dat vaak terug van oud-leerlingen. Ook betrek ik de actualiteit er vaak bij, om die in de historische context te plaatsen. Samen met de leerlingen zoek ik dan naar parallellen. Onderwijs is een levendig proces, dat doe je samen.[15]

Klas 9 (klas 3 vo): revolutie, verlichting en romantiek

In augustus barstte de bom. Geïnspireerd door de situatie in Frankrijk en opgezweept door een uitvoering van de opera La muette de portici begonnen de Belgen in augustus een opstand. Willem I kon de situatie niet onder controle krijgen, en wendde zich uiteindelijk tot de Europese grootmachten die in 1815 op het Congres van Wenen de twee gebieden hadden samengevoegd. Daar ving hij echter bot, de grootmachten kozen de kant van België, dat in december onafhankelijk werd.’ De Belgische opstand. [16]

Het thema revoluties past bij de afsluiting van de ontwikkelingsfase die ongeveer van het zevende tot het veertiende jaar duurt. Het weerspiegelt de innerlijke revolutie van de prepuber. Ook hier zijn het de biografieën die richting aan hen geven in deze roerige tijden. Aansluitend bij het thema ‘warmte’ in de natuurkunde, kan je vertellen over hoe Rudolf Diesel de verbrandingsmotor ontwikkelde. Maar ook de biografieën van Helen Keller, Nelson Mandela en Malala Yousafzai zijn heel geschikt. Verhalen over personen die bewonderenswaardig zijn en weerstand boden of iets presteerde of veranderde in de wereld, kunnen de idealen voeden.

Kunstgeschiedenis toont de leerlingen de ontwikkelingsgang van de mensheid, waarin een toenemende individualisering zichtbaar wordt. Ze verdiepen zich in de kunst en cultuur van de oude Egyptenaren, Grieken en Romeinen, het vroege christendom, de Renaissance en de Barok. De gehele ontwikkeling van de Egyptische grafschilderkunst tot en met de portretten van Rembrandt wordt beschreven. In het gezamenlijk onderzoeken ziet de leerling aspecten van de eigen ontwikkeling terug in de kunstgeschiedenis. [17]

Klas 10 (klas 4 vo): middeleeuwen

Gawein vindt de Groene Ridder en biedt hem zijn nek aan. Twee keer maakt de Groene Ridder aanstalten om te slaan, maar houdt zich in. De derde slag schampt Gaweins nek en verwondt hem maar lichtjes. Daarop onthult de Groene Ridder dat hij de burchtheer is en dat hij zijn dame naar Gawein toe stuurde om hem op de proef te stellen. Gawein heeft de proef van begeerte doorstaan, maar door de gordel te houden toch een beetje gefaald. Hiervoor liep hij bij de derde slag de lichte verwonding op.’ (Fragment uit Heer Gawein en de Groene Ridder)[18]

De tiendeklasser, die zich langzaam maar zeker richting volwassenheid begeeft, krijgt interesse in de oorsprong der dingen en in processen en ontwikkelingen. Hoe ontstaan en veranderen vriendschappen? Niet alleen een afzonderlijke periode uit de geschiedenis is interessant, maar vooral ook de manier waarop de mensheid zich ontwikkelt. Verhalen over hoe de samenleving door de middeleeuwen heen steeds geordender werd en de overgang naar de renaissance zijn daarom interessant. Net zoals de mensen toen steeds meer vat op hun gevoelsleven kregen, krijgen nu ook de leerlingen gaandeweg meer vat daarop.

De tiendeklasser maakt een mooie stap in de oordeelsvorming. Iets is niet langer alleen maar goed of alleen maar fout. Het verhaal van Heer Gawein en de Groene Ridder laat bijvoorbeeld zien dat je een goede ridder kunt zijn, ondanks dat je fouten hebt begaan. Maar ook verhalen uit de oude geschiedenis, biografieën en verhalen uit de wereldgodsdiensten lenen zich goed om te vertellen in de tiende klas. Zij sluiten aan bij het verlangen om op zoek te gaan naar de oorsprong der dingen, de bron van deze vormen en het ontstaan van het universum, of de geschiedenis van de menselijke taal. Kortom, het bestuderen van vroegere tijden en processen. Samengevat is de onderliggende vraag steeds: Hoe? Hoe verhoudt het een zich tot het ander? Hoe is dit fenomeen ontstaan?[19]

Klas 11 (klas 5 vo): Parcival

Parzival verliet de volgende morgen het kasteel, omdat hij er niemand meer aantrof. Toen besefte hij dat hij de kans van zijn leven had gemist: in de nachtelijke stoet werd hem immers de Graal aangeboden. Hij besefte dat zijn aangeleerde beleefdheid hem had verhinderd oprechte belangstelling te tonen. (Fragment uit Parcival) [20]
Fragmenten uit het Parcivalverhaal raken hen, ze ontdekken door het verhaal waar ze zelf naartoe willen | Miranda Scheperboer, Marecollege Leiden

Een thema dat speelt in de elfde klas is ‘zien en gezien worden’. Elfdeklassers kijken naar de mensen om hen heen en zien de ander met al zijn karakteristieken en nuances. Tegelijkertijd zijn zij zich bewuster geworden van zichzelf, van hoe zij overkomen op de ander en van hun rol in de groep. Wanneer de leerlingen in de elfde klas komen, ontwikkelen zij steeds meer eigenheid. Er komt steeds meer diepgang in het innerlijke leven van gevoelens, gedachten en daden. Telkens speelt hier de onderliggende vraag naar het ‘waarom’. Waarom zijn de dingen zoals ze zijn? Waarom ben ik hier? Vragen van lotsbestemming, de zin van het leven en sociale verantwoordelijkheid kunnen hun weg vinden in het curriculum rond deze leeftijd.

Verhalen die hierbij aansluiten zijn de verhalen van Parcival en De goddelijke komedie van Dante. Bij geschiedenis is het zinvol de aandacht te richten op de middeleeuwen, renaissance en verlichting met de nadruk op de mens die steeds meer individualiseert en op reis gaat naar het onbekende. Ook theatergeschiedenis sluit vanwege het ‘zien en gezien worden’ aan bij de ontwikkeling van de elfdeklasser.

Zo langzamerhand ontwikkelen de leerlingen het vermogen om het fenomeen ‘paradox’ te bevatten. Verhalen die paradoxen dragen, helpen dit begrip te verkennen. Bij Engels of bij dramalessen kun je daarom goed aan de slag met het toneelstuk Macbeth, van Shakespeare, waarin goed tegelijkertijd slecht kan zijn, en slecht ook goed.

Klas 12 (klas 6 vo): overzicht en inzicht

Dan vindt Peer een ui en hij besluit dat hij die ui is. Om de kern van zichzelf te vinden pelt hij steeds een laagje van de ui, maar de ui blijkt alleen uit laagjes te bestaan en geen kern te hebben. Peer geeft zich gewonnen tot hij Solveig hoort zingen, nog altijd wachtend op Peer die beloofd had terug te komen toen hij ging houthakken. Hij beseft dat de Kromme hem op het verkeerde spoor had gezet. Deze keer besluit hij dwars door alle problemen heen te gaan en terug te keren naar Solveig. Zij is degene die de ware Peer kent. De Knopengieter laat hem gaan. In de armen van Solveig valt Peer eindelijk in slaap. (Fragment uit Peer Gynt)[21]

In de twaalfde klas staat het ‘existentieel oordeelsvermogen’ centraal. Wie ben ik? En wat is mijn plaats als individu binnen de groep? Verhalen die daarbij aansluiten gaan over de wereldgeschiedenis, wereldliteratuur gerelateerd aan de rol van de mens en de hedendaagse tijd. Ook Peer Gynt van Ibsen, Faust van Goethe en De Storm van Shakespeare zijn bij uitstek verhalen voor twaalfdeklassers. Daarbij is steeds de onderliggende vraag: Wie? Wie is de mens? Wie gaat achter de uiterlijke verschijnselen en gebeurtenissen schuil en wie integreert deze tot een geheel? Wie ben ik? Door deze brede oervragen worden de leerlingen uitgenodigd om de vraagstukken van henzelf en de wereld te ontdekken en dieper tot de essentie van vraagstukken door te dringen. In de twaalfde klas kun je nog altijd biografieën vertellen. Het helpt de leerlingen te ontdekken wie zij zijn en wat zij willen in het leven.

Verhalen en jaarfeesten

De jaarfeesten zijn zeer geëigende momenten om met verhalen de essentie van het feest over te brengen. De vertelstof van de tweede en derde klas sluiten hier het duidelijkste bij aan. Bij de heiligenlegendes wordt er bijvoorbeeld over Sint Maarten en Sint Nicolaas verteld en bij het oude Testament komt de Christelijke oorsprong van veel van onze jaarfeesten naar voren. Daarnaast worden er vanaf de kleuterklassen al verhalen verteld die bij de feesten aansluiten, zoals bijvoorbeeld het bakersprookje van de sterke muis met het Michaëlsfeest, het sprookje van de Sterrendaalders met Sint Maarten en Doornroosje bij het Pinksterfeest.

Ook in het voortgezet onderwijs vertellen leraren verhalen die bij het thema van het jaarfeest passen. Nu geen sprookjes of legendes meer, maar verhalen uit de geschiedenis of uit de actualiteit. Bij de Kerst zijn dat bijvoorbeeld verhalen over hoop en naastenliefde, zoals het welkom heten van vluchtelingen. Bij Pasen verhalen over mensen die na een zware tijd de kracht hebben gevonden om een nieuw leven op te bouwen.

Verhalen en sociale situaties

Last but not least. Naast de beelden vanuit de bestaande vertelstof en naast verhalen voor de jaarfeesten kun je ook bij heel concrete en actuele situaties beelden of een verhaal gebruiken.

Zo kunnen verhalen of gedichten enorm behulpzaam zijn in situaties die een grote impact hebben op het gevoelsleven van de leerlingen. Denk aan ziekte of overlijden. Een verhaal spiegelt de situatie en de gevoelens; in een gezamenlijk beleven van het verhaal voelen de leerlingen zich erkend en begrepen.

Ook kun je een verhaal inzetten om daarmee de leerlingen te leren over goed en fout en zo mogelijk hun handelen te beïnvloeden. Je gebruikt dan geen abstracte regels, maar een beeld om de leerlingen een spiegel voor te houden van de situatie waarin ze zitten. Je geeft ze zo een mogelijke uitweg. Bestaande verhalen zijn geschikt, maar verzin gerust zelf een dergelijk verhaal. In het laatste geval kun je allerlei details in het verhaal stoppen die het verhaal verlevendigen en de herkenning bevorderen.

Een kleuterleidster maakte bijvoorbeeld een verhaal voor een meisje dat altijd alleen speelde. Speelgoed noch speelplek wilde ze delen met anderen. Ze schreef een verhaal (het was in de winter en het had gesneeuwd) over een meisje dat een nieuwe slee had gekregen en ermee naar buiten ging. Ze zat op de slee en zag andere kinderen lachen en plezier maken. Dat wilde ze ook wel, maar hoe doe je dat als je in je eentje bent met een slee? Dan komt er een buurjongetje naar buiten, hij pakt het touw en begint de slee te trekken. Het meisje heeft nu de grootste lol, ze trekt op haar beurt de slee met het buurjongetje erop en als ze naar binnen moeten, spreken ze af om de volgende dag weer samen te gaan spelen.

Terwijl de leerkracht vertelt, nemen de leerlingen de beelden in zich op. Er vult zich een innerlijke schatkamer, waar je als mens een leven lang kunt putten voor raad en daad, waarheid en troost. Verhalen zijn de bouwstenen voor de ziel. [22]

Verwijzingen

  1. Voor dit thema hebben we Miranda Scheperboer geïnterviewd. Citaten uit het interview hebben we hier verwerkt. Het volledige interview is op te vragen bij de redactie.
  2. Lutters, F. (2018), Reizen door Periodeland.
  3. Zie ook: Bruner, J. (2003). Making stories. Cambridge: Harvard University Press.
  4. Lutters, F. (2018). Reizen door Periodeland.
  5. Zie ook: Amons, C. (208). Het dilemma van de morele ontwikkeling. Zeist: Uitgeverij Christofoor.
  6. Miranda Scheperboer, Marecollege Leiden.
  7. Post-Uiterweer, K. (2019). Er was eens… . In: Het goud van Waldorf, p.164-167. Zeist: Seizoener.
  8. Grimm, J. L. C., & Grimm, W. C. (2011). Volledige uitgaven. Rotterdam: Uitgeverij Lemniscaat.
  9. Nijhuis, J. (2019). Sneeuwwit & Rozerood. In: Het goud van Waldorf, p 134-137. Zeist: Seizoener.
  10. Streit, J. (2011). En het werd licht. Verhalen uit het oude testament. Zeist: Uitgeverij Christofoor.
  11. Lutters, F. (2018). Reizen door Periodeland.
  12. https://historiek.net/zheng-he... Geraadpleegd op 22 mei 2021.
  13. https://nl.wikipedia.org/wiki/... Geraadpleegd op 2 juni 2021.
  14. Dickens, C. (1846). A Christmas Carol in prose (Vol. 91). Tauchnitz.
  15. https://www.ad.nl/zutphen/word...
  16. https://isgeschiedenis.nl/nieu...
  17. https://www.rudolfsteinercolle... Geraadpleegd op 13 mei 2021.
  18. https://nl.wikipedia.org/wiki/... Geraadpleegd op 13 mei 2021.
  19. Leibner, E. (2017). The Seven Core Principles of Waldorf Education. New York: Waldorf Publications at the Research Institute for Waldorf Education.
  20. https://nl.wikipedia.org/wiki/Parzival. Geraadpleegd op 13 mei 2021.
  21. https://nl.wikipedia.org/wiki/Peer_Gynt. Geraadpleegd op 13 mei 2021.
  22. Nijhuis, J. (2019). Het goud van Waldorf, p. 132. Zeist: Seizoener.

Meer lezen?

Vrijeschoolkompas