10. Periodeonderwijs

Over periodeonderwijs

Ingrediënten voor een heerlijk, zelf te maken recept.

Door: Trix Roem-Bouwman[1]

Als mensen mij vragen waarom ik voor de vrijeschool kies, noem ik altijd als eerste het periodeonderwijs. Nieuwe ouders, collega’s van andere scholen, onbekende mensen op een verjaardagsfeestje… het maakt niet uit wie het vraagt, als ik begin te vertellen over periodeonderwijs word ik altijd enthousiast. Het fijnst is om er over te vertellen als je ook in het klaslokaal bent waar je een periode geeft, omdat het hele lokaal laat zien met welke periode je bezig bent. De bordtekeningen, de periodetafel, de tekeningen, periodeschriften en werkstukken helpen de toehoorder te laten proeven en ervaren wat een periode kan zijn. Het duidelijkst wordt het natuurlijk door een keer met een klas de periode mee te beleven.

Maar hoe beschrijf je dat voor een reader over periodeonderwijs? Er zijn zoveel aspecten die ervoor zorgen dat een periode goed is…

Ik kies ervoor enkele “ingrediënten” met voorbeelden te beschrijven, daar kan ieder dan zelf een mooi recept van maken. Vooral ook steeds je recept veranderen en eigen ingrediënten toevoegen of ingrediënten weglaten! Een periode moet vooral geen methode worden, maar een levendig scheppingsproces.

Thema van de periode past bij de ontwikkelingsfase en het jaarthema van de klas.

Wat een prachtig bouwwerk is het vrijeschoolleerplan! Vorig jaar gaf ik les in klas 6 en werd me hernieuwd duidelijk hoe mooi de periodes in het jaarthema passen. In de zesde klas kunnen we de Romeinen overal tegenkomen: in de rekenperiode over procenten (keizer Augustus had geld nodig om zijn vervallen rijk op te knappen en stelde pro centum in; eenhonderdste deel belasting op alle inkomsten), in de aardrijkskundeperiode over het weer (de verschillende soorten wolken hebben Latijnse namen), in de meetkundeperiode bij het construeren en berekenen (de Romeinen waren fantastische bouwmeesters), in de mineralogieperiode bij het vulkanisme (de beroemde geschiedenis van Pompeii). Prachtige ontdekkingen voor leerkracht en leerling als je vakoverstijgend je lessen kunt geven.

Leraar en leerlingenleren iets nieuws.

Om je te kunnen verbinden met de lesstof is enthousiasme nodig: blij worden van nieuwe vaardigheden of kennis. Dat geldt voor leraren en leerlingen. Als er in de werkuren al veel breukensommen voorbij kwamen, is de breukenperiode veel minder een belevenis dan wanneer de breuken helemaal nieuw zijn voor een vierde klas. Belangrijk is om uitdaging te zoeken, te zorgen dat er voor alle leerlingen (ook als ze hoogbegaafd zijn) in de periode nieuwe lesstof zit. Ik zie nog de jongen voor me die zijn pannenkoek verdeelde in 1024e stukjes (kleiner lukte tot zijn spijt niet) en zijn ijver daarna om getallen tot in een uiterste te verdelen.

Verbaasd was ik over een zevende klas die niet enthousiast werd van de sterrenkundeperiode, in tegenstelling tot alle andere klassen die ik sterrenkunde gaf. Tot ik mij realiseerde dat ik me baseerde op mijn al aanwezige kennis. Ik had in twee jaar tijd al acht periodes sterrenkunde gegeven in verschillende zevende klassen en ik was moe. Ik stond zelf niet meer iedere avond buiten om nieuwe sterrenbeelden te ontdekken. Toen ik me dit realiseerde dook ik de lesstof weer in om andere aspecten te belichten. Ik werd zelf weer nieuwsgierig en toen kreeg ik de klas wel mee.

Klassendoelen en persoonlijke doelen.

Soms zie je door de bomen het bos niet meer. Je hebt de doelen van je groepsplan, de doelen van je zorgleerlingen, de kerndoelen, je periodedoelen… Je vindt het ook nog belangrijk dat kinderen hun eigen doelen mogen bedenken. Het lijkt een onmogelijke klus.

Tot mijn grote opluchting ontdekte ik op een dag dat als je begint met je periodedoelen (waarom deze lesstof, op deze leeftijd, in deze klas?) en de kinderen vertelt waar de periode over zal gaan, dat het daarna als een puzzel in elkaar past. Zelfs mijn derdeklassers konden heel goed verwoorden wat ze graag wilden leren, zelden hoefde ik daar een doel uit een groepsplan aan toe te voegen. Bij iedere periode passen meerdere kerndoelen, waardoor het niet lastig is om ze allemaal een keer aan bod te laten komen. Soms beschrijft een kerndoel gewoon je periode. Bijvoorbeeld kerndoel 42 voor de natuurkundeperiode in klas 6: De leerlingen leren onderzoek doen aan materialen en natuurkundige verschijnselen, zoals licht, geluid, elektriciteit, kracht, magnetisme en temperatuur.

Vaak deed ik zelf leuke ideeën op voor de inhoud van de periode door de doelen die leerlingen zichzelf stelden in hun voorwoord. Hoe leerzaam en doelbewust is vaak ook het nawoord, waarin ze beschrijven wat er van hun doelen terechtgekomen is.

Inrichting van het lokaal.

Periodeonderwijs leeft echt als je aan het lokaal kunt zien met welke periode de klas bezig is. Zelfs bij taal- en rekenperiodes is het mogelijk om een periodetafel te maken, waarmee je kinderen uitdaagt om nieuwe vaardigheden te ontdekken. Ik wist niet hoeveel soorten klokken en andere voorwerpen waarmee je de tijd kunt meten er bestonden tot ik een keer een tweede klas had met een enorme verzameldrift. Leren klokkijken werd er veel leuker van. En wat bestaan er veel mooie dichtbundels, ook voor jonge kinderen. Het hoeft echt geen periode mineralogie te zijn om een mooie tafel te maken, hoewel die periode natuurlijk wel heel dankbaar is voor alle stenenverzamelaars in de klas. Boeken over het onderwerp verzamelen in de schoolbibliotheek en bij kinderen thuis geeft ook veel lesmogelijkheden. Als de kinderen enthousiast worden van een periode, komt er van alles mee. Bordtekeningen en werk van de kinderen maken het compleet. De klas mag er ook best als een soort werkplaats uitzien als de periode daarom vraagt. Als de maquette van de Nijl een paar weken in de klas staat, blijft dat de kinderen meer bij dan een plaatje in een lesboek.

Alle vakken doen mee.

In deze gejaagde tijd vol vluchtige indrukken lijkt het voor kinderen moeilijker te worden om zich met de lesstof te verbinden. Voor kinderen met leer- of gedragsmoeilijkheden is dit nog lastiger. Periodes helpen bij het maken van de verbinding en dat kun je nog versterken door ook de andere vakken in het periodethema te plaatsen. Dicteewoorden en begrijpend leesteksten over de periode. Schilder- , teken- en handvaardigheidopdrachten over het thema van de periode. Verhalen uit de vertelstof die passen bij het onderwerp. Vreemde talen, liedjes, ritmeoefeningen, ict opdrachten… alles kan gecombineerd worden. Vaak komen kinderen dan ook met ideeën voor lessen, waardoor ze zich nog meer verbinden.

Gebruik maken van de nacht.

Rudolf Steiner benadrukte al de werking van de nacht en hoe je die kunt inzetten in een periode. In deze tijd met directe instructiemodellen hebben we weleens de neiging om dat te vergeten. Talloze voorbeelden heb ik bij kinderen gezien van inzicht in en verbinding met de lesstof door een onderwerp de ene dag aan te bieden en de volgende dag te verwerken. Door het vele oefenen dat we in onze klassen doen, kan het ook gebeuren dat we het ‘vergeten en weer herinneren’ geen ruimte geven. Na iedere periode dit vergeten bewust inzetten is van groot belang. Er zijn nog genoeg anderen dingen die je kunt oefenen. Laat de nieuwe periodestof eerst maar even rusten.

Verbinding met thuis.

Iedere week een huiswerkopdracht is mijn streven in een periode. In de lagere klassen is dat een doe-opdracht. Bijvoorbeeld: let eens op hoe laat je de hond uitlaat, hoe laat jullie eten, hoe laat je naar bed gaat enzovoort. Vanaf klas 4 is dat een opdracht die ze opschrijven of tekenen of maken. Het huiswerkschrift is een periodeschrift zodat het werk er ook verzorgd uit kan zien. De opdrachten hebben een minimumeis, maar ik daag de kinderen uit om daar een eigen vorm aan te geven. Hun persoonlijke interesses worden daardoor heel zichtbaar. Als de opdracht heel open is, bijvoorbeeld bij plantkunde “doe iets met planten” krijg je verrassende resultaten! Ware kunstwerken maken kinderen of lekkere baksels, zalfjes, kruidenthee, een herbarium.

Lessen buiten het klaslokaal.

Door te doen en te ervaren leren kinderen veel. Het klaslokaal is daarvoor te beperkt. In de rekenperiode een vierkante decameter met daarin vierkante meters tekenen op het plein, in de aardrijkskundeperiode een toren beklimmen voor een overzicht over de stad, in de plantkundeperiode een speurtocht door een heemtuin… er is van alles te bedenken. Maar alleen al een wandeling met waarnemingsopdrachten zet kinderen aan tot leren. Bij natuur denken we niet snel aan de stad, maar het is verrassend hoeveel dieren en planten je daar kunt ontdekken. In een tuin tussen bloemen en insecten komen kinderen tot prachtige gedichten. Bij een mooi bouwwerk raken ze geïnspireerd tot gedetailleerd tekenen of zelf bouwen. Een keer een rechtszaak bijwonen of meedoen aan wandelen voor water maakt de wereld inzichtelijker dan erover praten in het klaslokaal.

Gastdocenten.

In de (groot)oudergroep is veel kennis aanwezig over allerlei onderwerpen door de verschillende beroepen en hobby’s. De kinderen kunnen veel leren van een vakman of vakvrouw. Zo had ik in mijn derde klas een advocaat en een rechter onder de ouders. Samen speelden ze met de kinderen een rechtszaak na in de beroepenperiode met een casus die voor de kinderen goed te begrijpen was. De kinderen waren de advocaten en bedachten met onze echte advocaat de argumenten. De rechter deed uitspraak. In de zesde klas gingen we met dezelfde ouders naar een echte rechtszaak, vertelde een vader over zijn vondst Romeinse munten en een oom over de werking van edelstenen. In de vijfde klas maakte een moeder hennatekeningen op de handen van de kinderen en vertelde een vader over bijzondere planten in zijn tuin. Voor ieder schooljaar zijn wel gastdocenten te vinden binnen de school en daarnaast is het ook leerzaam om iemand van natuurmonumenten of bijvoorbeeld de stadsdichter of een schrijver te vragen.

Opdrachten op maat (temperamenten, verschillende talenten, jongens/meisjes)

In iedere klas zitten zeer verschillende kinderen die op verschillende wijze leren. Het is een prachtige uitdaging om je periodeopdrachten zo veelzijdig te maken dat al die verschillen tot hun recht kunnen komen. Bij natuurgerichte opdrachten, technische of praktische opdrachten of bij muzikale opdrachten komen heel andere kinderen naar voren dan bij cognitieve opdrachten. Dit geeft zelfvertrouwen. Stomverbaasd was een leerlinge die rekenen en taal erg moeilijk vond, dat de andere kinderen de namen van kruiden en edelstenen niet wisten, dat was voor haar iets vanzelfsprekends. Vanaf dat moment was zij een deskundige in de klas. Ons onderwijs in Nederland is sterk op meisjes gericht en daardoor hebben jongens de neiging tot onderprestatie. Door periodeopdrachten te bedenken waarbij kinderen zelf mogen onderzoeken en ontdekken komen de jongens meer tot hun recht. Ook daartoe leent iedere periode zich. Coöperatieve werkvormen waarbij de kinderen leren van elkaar zijn daarbij ook zeer zinvol.

Verwerking op maat, gericht op ontwikkeling.

Door verschillende verwerkingsvormen en keuzeopdrachten aan te bieden krijgen kinderen de mogelijkheid zich te ontwikkelen. De eisen en beoordeling kunnen dan ook verschillend zijn. De persoonlijke doelen van kinderen kunnen zo hun plek krijgen. Het mooiste periodeschrift dat ik ooit heb mogen ontvangen was van een achtste klas leerling van de praktische stroom. Deze jongen was zo dyslectisch dat periodeteksten schrijven een ramp voor hem was. Hij heeft zijn geschiedenis periodeschrift over Amerika volledig getekend met hier en daar een kort tekstje in de tekening. Schitterende tekeningen van de Pilgrimfathers, de Boston Tea Party, de slavernij, de levens van George Washington en Abraham Lincoln… Zo gedetailleerd en sprekend dat daar geen tekst tegenop kon!

Presentatie.

Door de periodestof te presenteren komt er een laagje verdieping bij. Een dankbare vorm van presentatie is een “markt” waarbij kinderen over hun werkstuk vertellen aan ouders en belangstellenden of leerlingen van een andere klas. Dat kan bijvoorbeeld bij de winkelperiode, de periode economische aardrijkskunde of de geschiedenisperiode over de middeleeuwen met een markt waar ze ook werkelijk zelfgemaakte producten verkopen (opbrengst voor een goed doel of het schoolkamp). Maar het kan ook door bijvoorbeeld over praktische Romeinse werkstukken te vertellen. Als je de ouders vraagt om vragen te stellen, oefenen de leerlingen zich in een steeds beter verhaal over hun werkstuk. Vaak hoorde ik een leerling iets over zijn werkstuk vertellen wat een vorige ouder gevraagd had. Ook heel mooi om te zien hoe verschillend je een Romeins aquaduct, villa of badhuis kunt maken als je de materiaalkeuze vrij laat en wat een originele onderwerpen kinderen kiezen (bijvoorbeeld Romeinse spelletjes of sieraden of het toilet). Een spreekbeurt of een onderdeel van een periodeles bij een schoolpresentatie kan natuurlijk ook. Hoe ouder de leerlingen worden, hoe beter ze zelf de presentatie kunnen vormgeven.

Eigentijds onderwijs, toekomstgericht.

Een geschiedenisperiode is misschien een uitzondering, maar verder is het belangrijk om in een periode eigentijds en toekomstgericht bezig te zijn. Ook in de geschiedenisperiode kun je echter kiezen voor het opzoeken van informatie of het bekijken van educatieve filmpjes op de computer. In bijvoorbeeld de boerderijperiode is het belangrijk om het proces van zaaien, maaien, dorsen, wannen en malen van graan te beleven als ambachtelijke handelingen. Daarnaast is het goed om te kijken hoe we dat nu doen. Bijvoorbeeld door te begrijpen wat een combine doet. Kinderen die gewoonlijk niet graag tekenden, vonden het erg leuk om de doorsnede van een combine te tekenen. Bij werkstukken in de hogere klassen kunnen leerlingen filmpjes maken ter verduidelijking van hun onderwerp. Iedere generatie komt iets nieuws brengen. Het is fascinerend om de signalen proberen op te vangen van de generatie die nu in je klas zit. Door ruimte te bieden aan eigen ideeën in de periode zie je daar glimpjes van.

Periodevoorbereiding radicaal durven omgooien.

In deze tijd waarin we het belangrijk vinden om alles op papier te zetten of digitaal bij te houden hebben we de neiging om de periode van tevoren helemaal uit te werken en met collega’s te delen. Als leidraad is dat prima. Soms vraagt een klas echter om een totaal andere invulling dan bedacht is. Er is durf voor nodig om dan te besluiten het radicaal anders te doen. Om de periode levend en toegespitst op de klas te houden is dat wel belangrijk. Zo voorkomen we dat ons periodeonderwijs een soort methode wordt. Prachtige lessen kunnen ontstaan uit spontane ingevingen.

Terugblik.

Na een periode is het natuurlijk goed om te evalueren. Zijn de klassendoelen en de persoonlijke doelen gehaald? Had ik voor de verschillende temperamenten en verschillende talenten voldoende opdrachten? Wat zijn de klassenresultaten en wat zijn de resultaten van individuele kinderen?

Daarnaast is het leerzaam en boeiend om met leerlingen terug te blikken in persoonlijke gesprekjes. Bijvoorbeeld aan het eind van een schooljaar te vragen welke periode het meest aansprak en waarom. Of aan het eind van klas 6 te vragen welke periodes ze van ieder jaar onthouden hebben. Wat ze interessant vonden.

Graag vraag ik ook oud-leerlingen om na langere tijd terug te blikken. Mij valt op dat ze dan vakken onthouden hebben waar ze later weer iets mee zijn gaan doen, bijvoorbeeld in hun beroep. Daarnaast herinneren ze zich de bijzondere praktische opdrachten zoals de middeleeuwse markt, de huizenbouwperiode en de excursies van de periodes.


[1] Trix Roem-Bouwman heeft 39 jaar ervaring in het geven van periodeonderwijs op de vrijeschool onderbouw in Deventer en Groningen en op de bovenbouw in Zutphen en Groningen.

1. Wat zien we?

Op de vrijeschool werken leerlingen in periodes van ongeveer drie of vier weken. Tijdens deze weken werken zij met dezelfde docent elke dag de eerste uren aan een bepaald onderwerp. Dat kan iets uit het vakgebied zijn, zoals bij rekenen bijvoorbeeld ‘breuken’, of ‘humor’ als onderdeel van de Nederlandse literatuur, maar bijvoorbeeld ook ‘oude culturen’, sterrenkunde of plantkunde. Dit wordt het periodeonderwijs genoemd. Daarna volgen de vaklessen waarin vaardigheden geoefend en geautomatiseerd worden en waarin de kunstzinnige vakken worden gegeven. De periodes zijn niet altijd direct verbonden met een bepaald vak en kunnen vakoverstijgend zijn. Zo krijgen leerlingen tijdens de huizenbouwperiode taal- en rekenopdrachten, leren ze metselen, bouwen ze een maquette en maken zij een stadswandeling om naar de verschillende metselverbanden te kijken. Je ziet bijvoorbeeld dat in een periode aardrijkskunde ook geschiedenis een plek heeft en de periode Parcival in de bovenbouw bevat zowel elementen van geschiedenis, Nederlands als filosofie.

Maak je een aantal dagen een periode mee, dan herken je waarschijnlijk een bepaalde opbouw gedurende deze dagen. Bij veel periodes wordt een didactische drieslag gemaakt waarin leerlingen eerst de stof van de vorige dag terughalen, daarna iets nieuws ervaren en vervolgens dat verwerken.[1] Na de opmaat - het gezamenlijke begin van de dag - blikken leerlingen terug op wat ze de vorige dag geleerd en ervaren hebben. Leerlingen lezen voor uit hun schrift waarin ze de lesstof hebben verwerkt, ze wisselen ideeën en nieuwe kennis uit in een klassengesprek of andere vorm. Nils Kenninck, geschiedenisleraar aan het Geert Groote College Amsterdam (GGCA), vertelt over deze fase bij zijn periode Oudheid die hij aan de tiende klas (klas 4 VO) geeft: ‘Hoe ik de les start, hangt af van de klas die ik op dat moment heb. Is er tijd en aandacht, dan laat ik een leerling een stukje voorlezen over het verhaal dat ik de vorige dag heb verteld. Een andere leerling leest dan zijn stukje voor over hetzelfde deel. Samen met de leerlingen bespreken we wat de overeenkomsten en verschillen zijn. Daarna is het tijd voor de nieuwe stof, die breng ik over in een vorm die ik vanuit mijn eigen vermogen afstem op de klas.’

Wanneer de leerlingen de nieuwe stof samen met de leraar hebben ervaren en tot zich hebben genomen, is het tijd voor de individuele verwerking. Vaak werken ze de lesstof uit in het schrift waarbij er alle ruimte is voor creatief schrijven en beeldende verwerkingsvormen. Afhankelijk van de periode kunnen dit ook andere kunstzinnige verwerkingsvormen zijn. ‘Bij mij mogen leerlingen de lesstof op hun eigen creatieve manier verwerken. Alle leerlingen schrijven het verhaal uit, maar de een is sterk met tekeningen terwijl de ander juist oefent met lange, goede teksten. Ik vind het vooral belangrijk dat de leerling zijn best doet en zich ontwikkelt’, zegt Nils. ‘Na een gezamenlijke afronding en een vooruitblik naar de volgende les, gaan de leerlingen de dag en de daaropvolgende nacht in. Een ervaring en nieuwe kennis rijker, waar ze de volgende ochtend op zullen reflecteren.’

Behalve werken met de drieslag, zie je ook andere ritmes terug in het periodeonderwijs. Zo hanteren leraren ook wel een zevenslag. Dit leerproces kun je goed vergelijken met het proces van de spijsvertering. Zoals een leerling met bijvoorbeeld een beeld of verhaal aan de lesstof kan proeven, zo begint de spijsvertering met het zien en proeven van de voedingsstof. Zelfs de reuk doet in deze fase al mee. Met het in de mond nemen en kauwen begint de stap van verbinding, het moment dat de leerling met bijvoorbeeld opdrachten aan de slag gaat met de leerstof. In de derde fase staat de verwerking centraal. Het lichaam verteert, scheidt en breekt af, bij de leerling begint nu het begrijpen om zich de stof vervolgens eigen te maken. De leerling neemt op wat het nodig heeft zoals in de darmen de bruikbare stoffen door het bloed worden opgenomen. Het lichaam maakt van de opgenomen voedingsstoffen lichaamseigen bouwstenen zoals eiwitten. Dit komt overeen met de fase van het oefenen. Na deze vijfde fase breekt de fase van groei aan. Met nieuwe energie kan de mens zich verder ontwikkelen. Fysiek, maar ook mentaal. In de vergelijking bereikt de leerling hier het uiteindelijke doel: de leerstof als voedingsbodem laten bestaan voor nieuwe, eigen creaties. Hoeveel tijd je aan elke fase besteedt, is afhankelijk van jou als docent, de klas en het thema.

Samengevat herken je een periodeles en/of hele periode opgebouwd naar de zeven levensprocessen als volgt.

  1. een enthousiasmerende inleiding; de introductie van een vraagstuk;
  2. leerlingen verbinden zich met de stof door middel van opdrachten;
  3. via het vragen, opdrachten en oefeningen proberen de leerlingen het vraagstuk te doorgronden, te analyseren;
  4. leerlingen gaan de stof begrijpen;
  5. leerlingen oefenen en maken de kennis tot vaardigheid;
  6. leerlingen passen de geleerde stof in een breder verband toe;
  7. leerlingen creëren zelf.
periode onderwijs1


Illustratie: Marijn Ruhaak

Ook zijn er docenten die in combinatie met de drieslag of de zeven levensprocessen de periode opbouwen aan de hand van de planeten. Maandag is de dag van de maan en de dag van reflecteren en reproduceren, dinsdag (marsdag) de dag van het doen. Woensdag (mercuriusdag) staat in het teken van associëren en verbanden leggen, donderdag (jupiterdag) wordt de lesstof geordend en op vrijdag (venusdag) is het tijd voor schoonheid en voor sympathie en antipathie. Op die dag komen vragen aan de orde als ‘wat is jouw lievelingsletter?’ of ‘wat vind jij het lelijkste botje uit het menselijk lichaam?’ Zie hiervoor het thema Planeten waarin hier uitgebreid op in wordt gegaan.

Hoewel thema’s vaak overeenkomen, geven leraren steeds een eigen invulling aan de periodes. De inhoud van de periode en de manier waarop de leerlingen de lesstof ervaren en verwerken, zijn sterk afhankelijk van de leraar en de groep. Leraren geven de periodes vorm en genieten dus een hoge mate van autonomie. Zij geven deels een eigen invulling en leggen eigen accenten. Dit wordt ingegeven door wat de klas nodig heeft. ‘Zo wordt met deze onderwijsvorm de leraar in zijn creativiteit en vakkundigheid aangesproken. Zowel leerlingen als leraren beschikken over vrije ruimte voor de inbreng van eigen inhoud en ervaringen.’[2] Dat geeft de mogelijkheid om in te spelen op de verschillen tussen leerlingen door te variëren in proces, product en ook de inhoud. Nils over zijn inhoudelijke aanpak bij de periode oudheid in tiende klas (klas 4 voortgezet onderwijs): ‘Bij deze periode horen de scheppingsverhalen. Het is mijn keuze om tegenover de verschillende scheppingsverhalen ook andere verhalen te zetten, zoals de evolutietheorie van Darwin of de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Geen leerling is hetzelfde en door verschillende perspectieven te laten zien, hoop ik zoveel mogelijk leerlingen aan te spreken.’

(Kunstzinnige) verwerking

In de periodelessen kom je regelmatig het periodeschrift tegen. Daarin verwerken de leerlingen zelfstandig de nieuwe stof in woord en beeld. Op die manier maken de leerlingen als het ware hun eigen les- en werkboek. Het werken in het periodeschrift is één manier. Afhankelijk van de klas en de lesstof, zijn daarnaast talloze manieren denkbaar waarop leerlingen de lesstof op een kunstzinnige manier verwerken en tot zich nemen. Dit kan zowel schriftelijk als beeldend. Zo werken sommige scholen met losse A4-bladen zodat illustraties op een gepaste plek in de tekst gemaakt kunnen worden. Aan het einde van de periode binden de leerlingen de bladen dan in tot een boekje.[3] Maar denk ook eens aan een leporello (een vouwboekje, zie afbeelding hieronder), een tafel met een tentoonstelling, een kistje of doos vol verrassingen en informatie, een presentatie of een filmpje.[4]


Tijdens de periode Poëzie aan klas 10 (klas 4 voortgezet onderwijs) op het GGCA kregen de leerlingen de opdracht om een creatief product te maken waarin zij beeld en eigen gedichten verwerkten. Met als onderwerp ‘Amsterdam, het onvertelde verhaal’. Producten varieerden van zelf gebonden dichtbundels tot installaties van hout en ander materiaal. Lune maakte, met hulp van klasgenoot Saro, dit filmpje over haar stad.

Bron: www.vrijeschool.nu

Bron: www.gregorius.nl

periodeonderwijs3
periodeonderwijs2
leporello

Een leporello. Bron: www.voetelingbv.nl

‘De klas mag er ook best als een soort werkplaats uitzien als de periode daarom vraagt.’ -Trix Roem-Bouwman, periodeonderwijs


[1] Lutters, F. (2018). Reizen door Periodeland.

[2] Lutters, F. (2018). Reizen door Periodeland.

[3] Er bestaan schriften die speciaal ontwikkeld zijn voor de vrije school, met zowel gelinieerde als blanco pagina’s is er ruimte voor veel kunstzinnige invulling.

[4] Mayo, A. (2015). Lectorale rede: Autonomie in verbondenheid. Leiden: Hogeschool Leiden.

2. Waarom doen we wat we doen?

Wanneer je weet dat het vrijeschoolonderwijs gericht is op de ontwikkeling van het denken, voelen en willen (hoofd, hart en handen), is het niet vreemd dat het periodeonderwijs een belangrijke pijler is op vrijescholen. De periode-opzet biedt de leerlingen namelijk de ruimte om aan de hand van denken, voelen en willen tot inhoudelijke verdieping te komen. Er is immers tijd en ruimte voor waarneming, ervaringen, kunstzinnige activiteiten, samenwerking, verbinding, uitwisseling en eigen onderzoek.

Zoals hierboven al te lezen is, heeft elke periode een eigen thema. Dit thema is verbonden met de ontwikkelingsthema’s zoals die per leeftijdsfase zijn beschreven. Op die manier kan de lesstof de ontwikkeling van het kind ondersteunen. Zo staat in de vierde klas (groep 6 van het basisonderwijs) het thema van afstand nemen van het eigen Ik tot de wereld centraal. De leerling ervaart dat de wereld uit meerdere delen en individuen bestaat die samen een geheel vormen. Het periodeonderwijs speelt daarop in door bijvoorbeeld bij rekenen met breuken aan de slag te gaan en bij de taalperiode met het vervoegen van werkwoorden waarbij elke persoon een eigen uitgang krijgt.

Waarom meerdere weken achter elkaar hetzelfde onderwerp? En waarom zie je in veel periodelessen terugkerende structuren zoals de drieslag of het werken met de zeven levensprocessen? Dat heeft alles te maken met de kracht van herhaling en ritme. Een belangrijk onderdeel daarvan is de werking van de nacht. Dit wijst op de nacht die leerlingen nodig hebben om zich een onderwerp echt eigen te maken. Een nacht kan namelijk helpen om concepten te overdenken, te herontwerpen en opnieuw op te bouwen. Zie ook Spirituele oriëntatie over de werking van de nacht.

De kritische lezer zal zich afvragen of de lesstof na afloop van een periode niet vergeten wordt. De leerlingen verdiepen zich nu immers weer in een nieuwe periode met een nieuw thema. Het omgekeerde is echter het geval. Dat heeft te maken met ‘het ritme van vergeten en herinneren’. Leerlingen zijn een aantal weken intensief met een onderwerp bezig. Daarna laten ze het onderwerp weer even los. Dat zorgt ervoor dat de leerstof de tijd heeft om te rusten. Later, tijdens de vaklessen of een volgende periode, wordt de leerstof weer expliciet in het bewustzijn geroepen Dan blijkt dat de kennis in de leerling is verankerd. De leerling heeft zich de stof eigen gemaakt,[1] op een eigen manier. Oefenen van zaken die geautomatiseerd moeten worden, gebeurt in de vaklessen. Dat hoeft niet meteen nadat het in de periode is aangeboden. Er valt immers nog zoveel meer te automatiseren.

‘Wat de mens niet allemaal moet onthouden als hij niet in staat is tot vergeten en herinneren. Het onderwijs zal juist met het vergeten rekening houden.’ - Frank de Kiefte[2]


3. Wat betekent het voor de leraar in de praktijk?

Een periode verzorgen is een verrijkende activiteit en tegelijkertijd best een klus. Zeker als je niet gewend bent om zoveel uren zonder lesboek te ontwerpen. Omdat het periodeonderwijs zo’n grote pijler is van het vrijeschoolonderwijs, zijn er verschillende bronnen te vinden die je kunnen helpen bij het plannen en voorbereiden van de periodes (zie Meer lezen[1] voor literatuur die je kan helpen bij het roosteren, ontwerpen, voorbereiden en uitvoeren van een periode). Deze zijn vaak gericht op het basisonderwijs, maar ook zeker te gebruiken voor de periodelessen in het voortgezet onderwijs. Frank de Kiefte geeft hier in zijn boek ‘De kunst van de didactiek’ bijvoorbeeld een bruikbaar stappenplan voor. Dit stappenplan kan met name de beginnende vrijeschoolleraar veel houvast bieden. Zo geeft hij handvatten voor het formuleren van concrete doelen, spreekt hij over de inhoudelijke verkenning, context en het verzorgen van een pakkend begin. Ook behandelt hij het raamwerk van een periode, de dagelijkse opbouw en differentiatie binnen de les. Veel vrijescholen bieden interne cursussen of opleidingen aan waarin het periodeonderwijs een belangrijke plaats heeft. Voor basisscholen is er ook de zomerweek die je als leerkracht kunt bezoeken. Deze zomerweek geeft je handvatten, inspiratie en concrete plannen voor het komende schooljaar mee. Voor informatie over inhoud en opbouw van periodes in het voortgezet onderwijs, kun je een kijkje nemen op de Vrijeschool Wiki[2] .

Perioderooster

Het opstellen van het perioderooster

Op de basisschool zijn de periodevakken in handen van de klassenleraar. Aan het begin van het schooljaar stel je als klassenleraar het perioderooster op. Welke periodes in welk jaar gegeven worden, staat redelijk vast, zie het overzicht hieronder. Het moment waarop je de verschillende periodes in een jaar aan bod laat komen, is aan jou als klassenleraar. Bij het opstellen van het rooster voor een klas houd je rekening met het jaarritme van de natuur (bijvoorbeeld plantkunde in de lente wanneer planten en bloemen bloeien) en de jaarfeesten, maar zeker ook met periodedoelen en de ontwikkelingen en behoeften van je klas.[3]

Ilustratie: Marijn Ruhaak

In het voortgezet onderwijs is dat vaak net anders. Er is meestal een perioderooster voor alle klassen en het gehele schooljaar. Dit heeft vooral een praktische reden: zeker in de hogere jaren is het onmogelijk en onwenselijk dat de klassenleraar alle vakgebieden verzorgt. Daarom worden de periodes dan door verschillende leraren gegeven. Vaak streven scholen in de zevende en achtste klas (eerste en tweede klas van het voortgezet onderwijs) er wel naar de mentor enkele periodes te laten geven. Dat versterkt de band tussen mentor en klas en geeft leerlingen wat continuïteit en houvast. Het betekent voor jou als leraar dat je je in nieuwe onderwerpen moet verdiepen die niet direct met je vakgebied te maken hebben. Je ontwerpt dan de lessen zelf en stemt deze af op de klas waarmee je werkt. Het is dan ook helemaal niet raar dat lesactiviteiten en werkvormen net anders zijn dan je collega die dezelfde periode aan een parallelklas geeft.

“Elke dag introduceerde ik een nieuw dier. Daarna werkten we door met het dier van de vorige dag. Als je de stof uit je herinnering ophaalt, maak je hem echt eigen” - Rolf Zeldenthuis[4]


[1] Avinson, K., & Rawson, M. (2014). The task and content of the Steiner-Waldorf curriculum. Edinburgh: Floris Books.

[2] Kiefte, F. de (2019). De kunst van de didactiek. Zeist: Uitgeverij Christofoor.

[3]https://www.google.com/url?q=h...

[4] Rolf Zeldenthuis, in Dierkunde, in: Het Goud van Waldorf blz. 192.


Ontwerpen en voorbereiden

Hoe kom je nu tot een goede inhoud van je periode. En waar kun je allemaal terecht voor inspiratie en handvatten bij het ontwerpen en voorbereiden van je periodeles? Een greep uit het aanbod:

  • BVS-schooladvies biedt leraren op de basisschool een aantal tools om tot een goede invulling van de periodelessen te komen. Zo is er voor ieder leerjaar een praktisch katern met de leerlijnen van alle domeinen die dat specifieke jaar aan de orde komen, vaak ook gekoppeld aan het jaarthema. Deze katernen geven de leerkracht houvast en kaders. Enerzijds biedt zo’n katern een compleet overzicht van de doelen van de domeinen rekenen, taal, geschiedenis, biologie, vertellen, schilderen, vormtekenen, muziek en dergelijke. Anderzijds is er ook aandacht voor het ‘hoe en waarom’. Een heel fijn steuntje in de rug voor de vrijeschool leerkracht. Op de meeste basisscholen zijn deze katernen voor leerjaar 1 t/m 6 (groep 3 t/m 8) aanwezig maar je kunt ze ook gemakkelijk zelf bestellen op de website van de BVS-schooladvies: https://www.bvs-schooladvies.nl
leerlijnen

Het BVS katern voor klas 4

  • Het deelnemen aan de zomerweek voor vrijeschoolleraren biedt je de gelegenheid om je een aantal dagen helemaal onder te dompelen in de periodes en de inhouden waar je het komende schooljaar mee aan de slag gaat. Doordat je dit samen doet met collega’s uit het hele land, kun je ongelooflijk geïnspireerd raken. Informatie over de lerarenweek vind je hier: https://vrijeschoollerarenweek.nl/
  • In het boek Waarden in het onderwijs[1] staan twee handige checklists voor het ontwerpen van (periode)lessen.

Naast al deze bronnen mag je de bestaande inhoud van je eigen rugzak ook niet onderschatten. Als leraar in het voortgezet onderwijs is dat natuurlijk de vakkennis die je vanuit je opleiding hebt opgedaan, maar dat is zeker niet alles waaruit je hoeft te putten. En ook als basisschoolleerkracht is er genoeg wat je (onbewust) aan kennis en ervaring hebt opgedaan. Ga eens zitten met een leeg vel vel papier en schrijf alles op wat er in je opkomt wanneer je denkt aan het onderwerp van je periode. Je gaat als het ware brainstormen met jezelf. Werk je samen met een duo, dan kun je ook samen brainstormen. Je zult zien dat je (jullie) al veel kennis in huis hebt. Misschien heb je boeken of objecten die je mee kunt nemen naar de klas? Ben je op reis wel eens iets tegengekomen waar je nu in geuren en kleuren over kunt vertellen? Het zijn vaak juist die eigen ervaringen die het vuur bij de kinderen kunnen ontsteken. Vergeet ook niet dat de leerlingen zelf een bron kunnen zijn. Door met hen het gesprek aan te gaan, verzamel je al aanwezige kennis en ervaringen. Bovendien maak je hen al warm en enthousiast voor het thema. Kijk tot slot ook eens naar je vrienden- en kennissenkring. Ken je iemand die gespecialiseerd is in een bepaald onderwerp of ambacht? Het is slim om hier ook je oudergroep eens naar te vragen: wat zijn hun specialismen? Je kunt zo’n ouder (opa, tante, buurvrouw) dan eens uitnodigen in je les. Of je gaat met je klas op bezoek bij zo iemand.

Bedenk ook dat je niet de eerste en enige bent die deze periode geeft. Kortom: je hoeft het wiel niet helemaal opnieuw uit te vinden. Help jezelf en laat je helpen door collega’s die ervaring hebben met de periode die je gaat geven. Of ga eens op lesbezoek bij een collega die de periode op een moment voor jou geeft. Het voordeel is dat de periodes ook op andere vrijescholen worden gegeven. Het loont zeker de moeite om eens navraag te doen bij je collega’s op een andere school. Bovendien zijn er soms specifieke schoolafspraken over hoe, wat en wanneer een begrip of vaardigheid wordt aangeleerd. Denk aan afspraken over de vorm of volgorde van de aan te leren letters of over wanneer kinderen gaan schrijven met de vulpen. Omdat deze afspraken vaak ongeschreven regels zijn, is het raadzaam om hier actief naar te informeren.

Zeker in het voortgezet onderwijs kan het voorkomen dat je periode geeft aan een klas die je nog niet kent. Dan is het lastig vooraf in te schatten welke aanpak en invulling het beste past bij deze leerlingen. Het kan helpen om bij het ontwerpen van de periode met de mentor van de klas te spreken over het karakter van de groep. Of doe eens navraag bij de collega die onlangs periode aan de klas gaf. Tot slot kan het helpen om nog niet de hele periode uit te tekenen. Als je alleen het raamwerk met het oog op de periodedoelen opzet, heb je nog alle ruimte om de precieze daginvulling af te stemmen op de klas.

Opbouw

Je kunt in het ontwerp van je les rekening houden met de drieslag of de zeven levensprocessen zoals die in de eerste paragraaf zijn beschreven. Je start de les of periode dan met een onderdeel waarbij de kinderen echt kunnen waarnemen en werkt met activiteiten die respectievelijk de verbinding, verwerking, het eigen maken en het oefenen stimuleren en dan toewerken naar het toepassen van de stof buiten de context en tot slot het scheppen en creëren.[2]Goed om te weten is dat het een worsteling kan zijn om alle onderdelen van het proces voldoende aandacht te schenken en ook nog eens de leer- en periodedoelen te halen. Het kan helpen om bij je ontwerp eens andersom te beginnen: in plaats van te ontwerpen vanuit de doelen die behaald moeten worden, kun je ook starten vanuit het thema en kijken welke doelen je daaraan kunt hangen. Ook interessant is het om je leerlingen zelf eens te vragen wat ze, na een eerste uiteenzetting van jou, over de periode-inhoud, willen leren.[3]

Je zult merken dat het toepassen buiten de context en het scheppen en creëren bij de ene leerling makkelijker zal gaan dan bij de andere leerling. Gedifferentieerde opdrachten kunnen hier helpen om de behoeften van alle leerlingen te bedienen.[4] In Pedagogisch-didactisch handelen, vind je een uitgewerkt voorbeeld van de zeven levensprocessen in het grammaticaonderwijs.

Ons onderwijs in Nederland is sterk op meisjes gericht en daardoor hebben jongens de neiging tot onderprestatie. Door periodeopdrachten te bedenken waarbij kinderen zelf mogen onderzoeken en ontdekken komen de jongens meer tot hun recht. Ook daartoe leent iedere periode zich. - Trix Roem

Werken met de nacht

In de vorige paragraaf las je ook over de werking van de nacht. Met het periodeonderwijs kun je hier optimaal gebruik van maken. Je biedt als leraar bijvoorbeeld de ene dag leerstof aan en pas de volgende dag gaan de leerlingen met een verwerkingsopdracht aan de slag. Ook kun je bijvoorbeeld elke ochtend beginnen met een klassikale bespreking van de stof die de vorige dag is behandeld of de leerlingen in het periodeschrift laten opschrijven wat ze nog weten van de les van de vorige dag. Je zet de nacht dan bewust in om de leerling de tijd te geven om het geleerde in de loop van de dag en in de nacht rustig op zich in te laten werken. Deze diepere verwerking hoeft niet tot stand te komen door de leerlingen uitwerktijd te geven aan het begin van de les. Het is goed denkbaar dat er aan het einde van de lestijd wordt gegeven om uit te werken, in dat geval zal de uitwerking een weerslag zijn van de waarneming en verwerken de leerlingen de volgende ochtend de stof in dialoog of een andere vorm.

Natuurlijk bestaat een periode niet voor niets uit meerdere weken. Dat betekent dat je als leraar niet alleen nadenkt over de opbouw van een afzonderlijke periodeles, maar ook over de opbouw van de periode als geheel. Om dit geheel op de grond te krijgen, kan het helpen om bij het ontwerpen na te denken waar je aan het einde van de periode wil zijn. Wat wil je dat de leerlingen geleerd, gemaakt of ervaren hebben? Ook hier kun je gebruikmaken van de verschillende ritmes zoals die hierboven voor de afzonderlijke lessen zijn beschreven. Kies je voor een opbouw in zeven stappen, dan kun je bijvoorbeeld makkelijk een week de tijd nemen om deze stappen te doorlopen. Bij een periode van drie weken zou je dan dus drie deelonderwerpen kunnen behandelen waarbij je elke week begint met het presenteren van het onderwerp. Daarna komt dan het verbinden, doorgronden enzovoort. Blijf wel steeds de klas goed waarnemen en stel zonodig de doelen bij.

Elke periode wordt idealiter afgesloten op een manier die bij de inhoud past. Het is aan jou als docent om een passende vorm te ontwerpen. Soms is een cognitieve vorm heel logisch, bijvoorbeeld met een proefwerk of toets. Maar er zijn veel meer mogelijkheden. Je kunt bijvoorbeeld denken aan een presentatie van gemaakt werk met een expositie of een markt waarbij leerlingen zelf vertellen over een onderwerp. Aan het einde van een toneelperiode is het meestal een voorstelling. Zeker in de bovenbouw kun je ook denken aan een (deels) zelfstandig onderzoek waarbij leerlingen de verworven lesstof gebruiken voor een eigen creatie.

Kortom, periodeonderwijs geven heeft alles te maken met eerbied hebben voor de leerling die voor je zit, werken vanuit enthousiasme voor de wereld die je hen toont en het verteerbaar maken van die wereld.

Meer lezen:

BVS-schooladvies. Periodeonderwijs: werkplaats in de tijd. Utrecht: BVS-schooladvies.

Kiefte, F. de (2006). In gesprek over leren en didactiek. blz 46-53. Zeist: Uitgeverij Christofoor.

Kiefte, F. de (2019). De kunst van de didactiek. Hoofdstuk 6. Zeist: Uitgeverij Christofoor.

Lutters, F. (2018). Reizen door Periodeland. https://www.hsleiden.nl/binaries/content/assets/hsl/lectoraten/waarden-van-vrijeschoolonderwijs/publicaties/reizen-door-periodeland_frans-lutters_2018.pdf

Passsenier, H. (2020). Waarden in het onderwijs. Zeist: Uitgeverij Christofoor.

Over de inhoud van de periodes:

Het Goud van Waldorf. Zeist: Seizoener

Steiner, R. (1987). Opvoedkunst: methodisch-didactische aanwijzingen. Zeist: Uitgeverij Christofoor.

Steiner, R. (1989). Praktijk van het lesgeven: vijftien werkbesprekingen met leraren en drie voordrachten over het leerplan, gehouden bij de oprichting van de “Freie Waldorfschule”, Stuttgart 1919. Zeist: Uitgeverij Christofoor.

Vrij Pedagogisch Centrum (1985). Blik in de vrijeschool: uit de praktijk van het leerplan. Driebergen: Vrij Pedagogisch Centrum.

link naar:

  • Trix Roem (artikel en interview) .
  • Vrijeschool wiki,
  • Veel goeds.


[1] Passsenier, H. (2020). Waarden in het onderwijs. Zeist: Uitgeverij Christofoor.

[2] De reader van de BVS werkt beide ritmen uit: de drieslag en de zevenslag, inclusief voorbeelden

[3] zie ook: door Roem, T. Periodeonderwijs.

[4] Trix Roem geeft in haar reader voorbeelden van hoe zij met de leerdoelen, de opdrachten en differentiatie omgaat.

Interview - In gesprek met Trix Roem over 39 jaar periodeonderwijs

‘Elke periode leer ik iets nieuws’

Wat is het geheim van het periodeonderwijs en hoe ziet het er in de praktijk uit? Trix Roem blikt met 39 jaar ervaring terug op haar eerste jaren als periodedocent en alle jaren die daarna volgden. Ook vertelt ze over haar ervaringen die ze opdoet bij het coachen van beginnende leerkrachten.

Trix Roem staat al 39 jaar met veel plezier voor de klas. Haar leerlingen genieten nog geregeld van een inspirerende periode en ondertussen leren startende docenten veel van de doorgewinterde vrijeschooldocent. Want beginnen met lesgeven vraagt veel tijd en energie, weet Trix: ‘Je bent veel tijd kwijt aan het bedenken en organiseren van je lessen. Een periode geven betekent zelf de lesstof samenstellen voor een project van drie à vier weken. Dat is best een klus.’ Trix benadrukt het belang dat startende leerkrachten het gevoel hebben te kunnen en mogen groeien. ‘Dat ze fouten mogen maken en van hun foute en goede ervaringen mogen leren. Ik wens elke leraar toe dat hij het aandurft om tastend en samen met de kinderen te verkennen wat de klas nodig heeft.’

‘Mag dit, of kan dit ook?’ is een vraag die Trix startende leerkrachten vaak hoort stellen. Onterecht, oordeelt zij. ‘Alsof hun eigen plannen aan allerlei eisen moeten voldoen. Ik zeg altijd “Als jij denkt dat het goed is voor je klas en je bereid bent om na afloop te bekijken en te beoordelen of je aanpak inderdaad een goede was, dan moet je het doen.” Natuurlijk vraag ik ook naar het waarom van een bepaalde aanpak of lesinhoud en het beoogde doel, maar ik vind het belangrijk dat leraren durven te geloven in hun eigen kracht en kunnen’.

Dat leraren eraan twijfelen of ze wel het goede doen is niet zo gek. Hoe weet je nu wat goed is voor de klas? Trix ervoer dat je die vraag heel goed aan de kinderen kunt stellen. ‘Zelf begin ik steeds vaker een periode met de vraag: “Dit is waar ik aan denk voor deze periode, maar wat zou jíj willen leren?” Het antwoord kan dan tot een thema worden voor de hele klas, of tot een individuele leervraag.’ Zo had Trix eens een leerling die in de periode plantkunde de Latijnse namen wilde leren kennen. ‘Ik maakte het niet tot een expliciet doel in de periode, maar zorgde wel voor allerlei boeken met de Latijnse namen in de klas. Aan het eind van de periode vroeg ik haar wat er van haar doel terecht was gekomen. Niet zoveel, het was immers in de periode niet aan bod gekomen. De Latijnse namen had ze dus niet geleerd, maar wat ze wel leerde was dat je soms ook eigen initiatief moet tonen als je jezelf een doel stelt.’ Als het over autonomie gaat, gaat het heel vaak over de autonomie voor de leraar, legt Trix uit. ‘Maar ik wil leerlingen ook zelf heel graag autonomie laten ervaren in hun leerproces. Dat ze ervaren: ik leer dit omdat ik het zelf wil leren.’

Opbouw en ritmes

Met 39 jaar ervaring heeft Trix alle varianten van periodeopbouw voorbij zien komen en toegepast. Van de drieslag, de zeven stappen van de levensprocessen tot het werken volgens de dagen van de week. ‘Hoewel ze daar na al die jaren zelf haar eigen weg in zoekt, adviseert ze beginnende leerkrachten zeker om één van deze ritmen te gebruiken in de periodeopbouw. Trix: ‘Dat helpt om een lijn in een week of in de hele periode te krijgen, te weten wanneer je wat doet. Ik adviseer meestal: ga met zo’n opbouw aan de slag, leer het kennen en ervaar wat het doet. Dan kun je het steeds meer als een gereedschap, een instrument inzetten om te bereiken wat je voor ogen hebt. Ik adviseer wel altijd goed de tijd te nemen voor de dingen. Plan niet iedere dag een nieuw onderwerp maar kom er de volgende dag op terug. Dan geef je kinderen de tijd om iets echt te leren kennen, en geef je ook de nacht een kans.’

Zelf neemt Trix het thema van het jaar en de leeftijdsfase altijd als uitgangspunt voor de periode. In het lokaal waar we Trix bezoeken, is dat goed zichtbaar. Trix geeft op dit moment namelijk een rekenperiode aan de zesde klas (groep 8) en in plaats van een doorsnee opgave is de vraag op het bord: ‘Laurentius heeft L Denario. Hoeveel moet hij afdragen aan de keizer?’ Trix legt uit: ‘In de zesde klas (groep 8) is het jaarthema Romeinen. Dat betekent dat ik de rekenlessen inbed in de beleefbare en enthousiasmerende context van de Romeinse geschiedenis. Ik heb de klas gisteren verteld over keizer Augustus. Omdat hij geld nodig had, besloot hij dat iedereen in het Rijk hem een bedrag moest betalen. Dat wilde hij wel op een eerlijke manier doen dus liet hij iedereen één honderdste deel van zijn bezit betalen. Dat honderdste deel noemde hij: pro centum (per honderd). Ik vertelde dat ons woord procent aldus teruggaat op deze daad van keizer Augustus.' Op deze manier maakt Trix van de periode een reis door de tijd: ‘Vorige week heeft de klas zich beziggehouden met de Romeinse cijfers en getallen en nu moeten ze als rentmeesters uitrekenen hoeveel iedere burger aan de keizer moet betalen. Volgende week komen ze in het heden aan, als ze de uitverkoop gaan verkennen en gaan berekenen hoeveel korting ze krijgen op hun aankopen.’

Inhoud

Met welke opbouw je ook werkt, je hebt best wat inhoud nodig voor een periode. Hoe vind je die? Volgens Trix hangt dat er vanaf hoe lang je al periodeonderwijs geeft. ‘In de eerste jaren zou ik goed om me heen kijken. Welke voorbeelden zijn er van eerdere jaren, van collega's in de school of van andere scholen? Een periodeschrift vanuit een vroegere klas kan je enorm op gang helpen. Daarnaast is er best veel literatuur. Ik heb vroeger veel geput uit Blik in de Vrijeschool, een gebundelde serie VOK Cahiers met steeds één jaar als thema. Ik maakte ook gebruik van een oud boekje uit Leiden, maar zou nu bijvoorbeeld ook van Het Goud van Waldorf kunnen gebruiken. BVS-schooladvies geeft ook katernen uit, zowel met alle leerstof van één jaar, als met de opbouw van een vak als Aardrijkskunde door de jaren heen. Maar vergeet alles buiten de boeken niet: Je doet cursussen, je spreekt collega's, je kijkt om je heen, je gebruikt je eigen ervaringen. Sparren met een collega werkt altijd goed. Dat is wel een heel groot voordeel van duo-partners zijn voor één klas. En…tegenwoordig is het internet een enorme bron! Zo vind je bijvoorbeeld ook veel specifieke vrijschoolideeën op Veel goeds.’

Kwalitatieve differentiatie

Differentiëren kan op vele manieren en juist het periodeonderwijs leent zich volgens Trix voor kwalitatieve differentiatie. Je kunt dus verder gaan dan alleen een onderscheid maken in eenvoudig, gemiddeld en moeilijk. Trix: ‘Ik differentieer bijvoorbeeld met verschillende typen opdrachten. Ik geef afwisselend opdrachten met een motorisch, talig of esthetisch karakter. Aan het verschil in enthousiasme waarmee de kinderen instappen, leer ik ze beter kennen. De opdrachten zijn vaak voor het ene kind een uitdaging, terwijl ze bij een ander kind het zelfvertrouwen versterken. Voor de leerlingen voor wie het een uitdaging is, bouw ik kleine stapjes in het leerproces in. Aan de andere kinderen geef ik juist opdrachten waarin ze hun vaardigheden kunnen laten zien. Hoe meer je de kinderen leert kennen, hoe beter je hier van te voren al op in kunt spelen, maar soms word je ook als ervaren leerkracht nog verrast: in mijn reader noem ik het voorbeeld van een leerlinge, die de meeste vakken lastig vond, maar wel een enorme kennis bleek te hebben van de verschillende planten. Ineens was ze een expert!’

Tot slot wil Trix elke beginnende én ervaren docent nog één ding meegeven: ‘Zoek steeds weer een uitdaging voor jezelf!’ Zelf doet Trix dat de laatste jaren door steeds meer vrouwelijke personages in haar periodes naar voren te halen. ‘Of ik verwerk het thema diversiteit in gender en relaties in mijn periode. Vorig jaar ontdekte ik bijvoorbeeld dat de Griekse verhalen zich uitstekend voor deze thematiek lenen, dat was een nieuw inzicht. Die leermomenten zijn waardevol. Het mooiste wat je kunt bereiken is dat zowel leraar als leerlingen aan het einde van de periode verzuchten: wat een heerlijke periode en wat heb ik veel geleerd.’

8 uitgangspunten

Het kompas is opgebouwd aan de hand van acht uitgangspunten. Zeven daarvan zijn gebaseerd op de uitgangspunten die Elan Leibner hanteert in The Seven Core Principles of Waldorf Education*. Het achtste uitgangspunt: vitaliteit, is gebaseerd op de vijfde dimensie, zoals beschreven in Het bouwwerk van de Waldorf-pedagogie van Valentin Wember **.