Uitgangspunt 5

Pedagogisch-didactisch handelen

Wat is nu precies het pedagogisch-didactische handelen dat op de vrijeschool centraal staat? Dat betekent dat pedagogiek en didactiek nadrukkelijk met elkaar verbonden zijn. Vrijeschoolonderwijs werkt vanuit een pedagogische basis, wat inhoudt dat leraren veelal kijkend door een pedagogische bril hun didactiek bepalen en vormgeven. Een voortdurende verbondenheid met de pedagogiek dus, maar waarom? Dit heeft alles te maken met de intentie van het vrijeschoolonderwijs om bij te dragen aan de gehele ontwikkeling van de leerling op weg naar volwassenheid. Een focus waarbij het didactische voorop zou staan, zou ook een keuze zijn voor onderwijs dat gericht is op specifieke ontwikkelingsresultaten en onderwijsopbrengsten. Door uit te gaan van de pedagogische ontwikkelingsvraag van de leerling, hopen wij juist bij te dragen aan een brede ontwikkeling van de leerling. Wat vraagt dat van de leraar? Dat hij zich voortdurend pedagogisch schoolt en vanuit een pedagogische blik naar de leerlingen kijkt. Niet voor niets bestuderen veel vrijeschoolleraren daarom de antroposofische menskunde.

Het pedagogisch-didactisch handelen is een van de meer complexe uitgangspunten omdat meerdere thema’s in dit uitgangspunt samenkomen. Om deze thema’s de aandacht te geven die zij verdienen, zijn deze apart te raadplegen. Hieronder staat kort uitgelegd wat de thema’s precies behelzen. In de uitgebreidere beschrijvingen wordt dieper ingegaan op het hoe en waarom van elk thema.

Kunstzinnig onderwijs

Voor wie zich wel eens heeft afgevraagd waarom het vrijeschoolonderwijs zo kunstzinnig is, zit goed bij dit uitgangspunt. Kunstzinnig onderwijs wordt namelijk gegeven vanuit het idee dat dat op de best mogelijke manier bij kan dragen aan de ontwikkeling van het kind. Kort gezegd gaat dit onderwijs over hoe je als vrijeschoolleraar je lessen ontwikkelt (voorbereidt) en je lessen geeft. Je zou kunnen zeggen dat je als leraar een kunstenaar bent. Een kunstenaar is namelijk in staat dingen zichtbaar te maken die voor anderen tot dan toe niet zichtbaar waren. En precies dat is waar de leraar naar streeft: voor de leerlingen zichtbaar maken, wat voor hen tot dan toe onzichtbaar was. Kunstzinnig onderwijs betekent ook dat leraren proberen de verleiding te weerstaan om direct de theorie achter een waarneming of ervaring uit te leggen. In plaats daarvan willen zij de leerling prikkelen om wat zij zien, horen, lezen en ervaren zelf te onderzoeken en te leren begrijpen. Zo leren zij nieuwsgierig en onderzoekend in het leven te staan en zich met de wereld te verbinden. Kunstzinnig onderwijs is daarmee een kenmerk van lessen dat niet beperkt blijft tot de kunstvakken maar op alle schoolvakken van toepassing is.

Bij het kunstzinnig onderwijs wordt veel gewerkt met beelden, het volgende thema van dit uitgangspunt. Een verhaal dat levendige beelden oproept, kan de leerling helpen om zich gevoelsmatig te verbinden met het onderwerp en het geleerde beter te onthouden. Wanneer de leraar met beelden werkt, laat dat ruimte voor leerlingen de betekenissen en begrippen in de loop van de tijd bij te schaven. Het begrip kan meegroeien met de leerling en de leerling kan er steeds weer een nieuwe betekenis aan toekennen.

Pedagogisch-didactisch handelen betekent op de vrijeschool ook streven naar een holistische benadering van het kind. Dat klinkt abstracter dan het is. Het houdt in dat leraren de leerling niet slechts aanspreekt op bijvoorbeeld het denken (het hoofd). De aandacht gaat net zo goed uit naar het gevoel (het hart) en de wil van de leerling (handen). Zoals in het thema uitgebreid toegelicht wordt, werken vrijescholen daarom ook vanuit het geheel: het gehele kind, maar ook de gehele lessituatie. Net zoals je de leerlingen holistisch kunt benaderen, kun je ook de leerstof die wij de leerlingen laten beleven, holistisch aanreiken. Neem bijvoorbeeld een biologieles over het skelet in de achtste klas. De botten en hun verbinding met de spieren en gewrichten moeten besproken worden, maar voordat je de afzonderlijke delen behandelt, laat je de leerlingen eerst zelf raden hoeveel botten zij in hun hele lijf hebben. Vervolgens benoem je de botten en spieren, ga je weer terug naar de hele mens en bespreek je de plaats en functie van het skelet daarin. Zo ervaren de leerlingen de heelheid van de wereld en hun eigen plaats daarin.

Het vierde thema betreft herhaling, ritme en de werking van de nacht. Bij het aanbieden van nieuwe leerstof worden lessen zo opgebouwd dat leerlingen zich op een afwisselende wijze met het onderwerp bezighouden. Ieder les, of serie lessen heeft zo zijn eigen ritme, bijvoorbeeld in de periodelessen: een nieuw onderwerp presenteren op de eerste dag, opfrissen, herhalen, opnieuw creëren en toepassen op de tweede dag. Dat ritme is er omdat het vrijeschoolonderwijs wil dat leerlingen de lesstof niet zonder meer tot zich nemen, maar er een eigen beeld van vormen, er zelf over nadenken, een eigen begrip ontwikkelen en uiteindelijk verbanden gaan zien tussen verschillende gebeurtenissen en fenomenen. Dat vraagt om tijd voor leerlingen om het aangebodenen te verwerken. Daarom wordt in het vrijeschoolonderwijs bewust gebruik gemaakt van de ‘werking van de nacht’. Als je ergens ‘een nachtje over hebt kunnen slapen’ verandert dat je beleving en je begrip van die ervaring. Het slapen maakt ruimte voor een proces van loslaten en vergeten van wat je in de dag hebt gedaan en geleerd. Als je het dan de volgende dag weer bewust terughaalt ontstaat (vaak) ruimte voor iets nieuws, bijvoorbeeld nieuwe perspectieven of ideeën, maar ook voor een dieper begrip van wat er plaatsvond. Daarna blijven leraren en leerlingen werken met de lesstof en herhalen zij regelmatig - ook in latere jaren -de eerder behandelde onderwerpen.

Tot slot is een vaak gehoorde term binnen de vrijeschool ademend onderwijs. Ook dit heeft alles te maken met het ritme van het onderwijs en gaat om een afwisseling tussen opgaan in een fenomeen of ervaring en zelfreflecteren, naar binnen keren. Daarbij streven we naar een gezonde afwisseling in geconcentreerd werken (inademen) en ontspanning (uitademen). Het is aan de leraar om een variatie aan activiteiten aan de klas aan te bieden, die past bij de spanningsboog van de klas. Omdat dit best een uitdaging kan zijn, is ademend onderwijs als apart thema beschreven en met voorbeelden en handvatten verrijkt.

Stockmeyer, E.A. K., (2015). Rudolf Steiner’s Curriculum for Steiner-Waldorf Schools. Edinburgh: Floris Books.