1. Menskunde

Inleiding

De leraar kijkt verder dan de cognitieve ontwikkeling en prestaties van een leerling zoals we die vaak proberen te vangen in cijfers. Het gaat juist om de evenwichtige persoonlijke ontwikkeling die alle leerlingen doormaken tot mensen die richting en betekenis kunnen geven aan hun eigen leven. Hier komt het antroposofische mensbeeld om de hoek kijken waarbij de mens wordt omschreven als een geheel van lichaam, ziel en geest. Door je als leraar te blijven verdiepen en scholen in de menskundige uitgangspunten van het vrijeschoolonderwijs, ontwikkel je een perspectief waarvanuit je het alledaagse handelen in de klas kunt vormgeven.

1. Wat zien we?

De eerste dag in de kleuterklas, een spannend moment. Wat zijn de gebruiken en gewoontes in deze klas? Wanneer ruimen we op en wanneer zingen we een lied? De eerste periode in een nieuwe klas staat in het teken van gewenning. Gewoontes leren kennen en laten inslijten zodat elk kind weet waar het aan toe is. Houvast vinden in het ritme van de dag, de week en de seizoenen. En dan de spannende stap naar de eerste klas waar een nieuwe groepssamenstelling volgt. Opnieuw leren de kinderen nieuwe gewoonten kennen. Een belangrijke basis voor het schoolse leren dat natuurlijk ook op het programma staat. Voor mensen die al jaren bekend zijn met de vrijeschool, is het geen verrassing dat kleuters een vast dagprogramma volgen en er tot en met de examenklas terugkerende rituelen zijn. Van het dagelijkse opruimlied bij de kleuters, tot gedichten opzeggen in de Duitse les. Het zijn de dingen die horen bij de pedagogische didactiek op de vrijeschool die voor leraren, ouders en leerlingen al snel gewoon worden. Vraag je een kind waarom hij elke ochtend een spreuk zegt, dan zal het antwoord iets zijn als: ‘Gewoon, omdat we dat altijd zo doen. Omdat dat zo is op de vrijeschool’. Net zoals het volstrekt gewoon is dat er van kleuterklassen tot eindexamenklassen behalve cognitieve vakken, ruimschoots aandacht is voor bewegen, handvaardigheid en kunst. Toneelstukken, kooruitvoeringen, gangen vol met schilderijen die door leerlingen zijn gemaakt. Zelfs binnen vakken als taal, biologie, natuurkunde, geschiedenis, zien we dat de leerlingen veel schriften vullen of werkstukken maken waarbij ruimschoots zelf getekend wordt. Hoofd, hart en handen vullen elkaar aan bij het leren. Elke dag weer en zo veel mogelijk bij élk vak.

Maar waarom krijgen leerlingen - ook in de bovenbouw - bij elke les een hand van hun leraar en waarom zeggen leerlingen en docenten elke ochtend een spreuk? En waarom besteden leerlingen zoveel tijd aan niet-cognitieve vakken? Nieuwe docenten en ouders nemen met een antwoord als ‘gewoon omdat het zo is’ niet altijd genoegen. En terecht. Want waarom zou je je een dagelijks ritme van gewoonten en handelingen aanmeten als je niet weet wat de achtergrond is van deze rituelen? Kortom: Waarom doen we wat we doen op de vrijeschool en op welke visie baseren we onze pedagogische-didactische aanpak?

2. Waarom doen we wat we doen?

Het is niet voor niets dat het leren in de kleuterklas voornamelijk bestaat uit nabootsen en doen. Het is ook niet voor niets dat we naast de cognitieve onderdelen zoveel tijd besteden aan kunst en handvaardigheid. Dat heeft alles te maken met het mensbeeld dat aan het vrijeschoolonderwijs ten grondslag ligt en is geïnspireerd vanuit de antroposofische levensbeschouwing. De pedagogisch-didactische visie is hierop gebaseerd. Wil je een kind écht begeleiden in zijn persoonlijke ontwikkeling, dan zul je verder moeten kijken dan alleen de cognitieve opbrengsten. Precies dat is waar de vrijeschool naar streeft, verder kijken. De vraag is alleen: waar kijk je dan naar? En kun je de persoonlijke ontwikkeling van elk kind in klassikaal verband begeleiden? De algemene menskunde [1][2]geeft houvast en reikt je handvatten aan waarmee je je leraar-zijn geleidelijk vormgeeft en ontwikkelt. Het geeft namelijk perspectieven van waaruit je naar de mens en zijn ontwikkeling kunt kijken. Deze perspectieven helpen je bij het begrijpen van mensen en waarom zij de dingen doen zoals zij doen. Voor leraren heel bruikbaar om naar de opgroeiende mensen te kijken en hen zo goed mogelijk te begeleiden op weg naar volwassenheid. Want als je weet waar je naar moet kijken, kun je ook gemakkelijker zien wat een kind of een klas nodig heeft. Wat zien we bijvoorbeeld aan kinderen die de kleuterklas inmiddels achter zich hebben gelaten? Dat zij niet meer alleen vanuit gewoontes denken en doen, maar dat er ineens ook gevoel om de hoek komt kijken. Kinderen die voor hun juf of meester werken, een typisch beeld in de onderbouw.[3] Want de leerkracht leeft voor hoe je de wereld mooi kunt vinden, of hoe je verdrietig kunt zijn zonder je daarin in te verliezen.

Menskunde kun je zelf als leraar elke dag ontdekken, door te lezen, te kijken en door met elkaar te praten of te toetsen. Zo wordt de menskunde een bron van inspiratie van waaruit je kijkt naar het leerplan en naar wat nodig is voor de leerlingen om naar passend vervolgonderwijs te kunnen gaan. Daarbij stel je jezelf als leraar steeds de vraag: “Wat is op dit moment nodig?” Waarbij je een verantwoordelijkheid naar kinderen en ouders hebt. Dat betekent ook ter plekke inspelen op momenten en ingaan op ingevingen.

In dit hoofdstuk maken we een begin door de belangrijkste perspectieven te beschrijven die vanuit de algemene menskunde worden meegegeven, namelijk het tweeledig, drieledig en vierledig mensbeeld. Natuurlijk hebben we daarmee niet de hele menskunde uitgelegd. Binnen deze indelingen, zijn weer opnieuw onderverdelingen te maken. Om alles te kunnen bevatten, zal je flink in de menskunde moeten duiken. Zo zijn temperamenten, planeetkwaliteiten of constituties belangrijke thema’s binnen de vrijeschool. Het voert te ver om hier nu uitvoerig op in te gaan. Om hier meer over te weten te komen, verwijzen we naar de aparte hoofdstukken hierover.

Tweeledig mensbeeld: fysiek en geestelijk

Dat de mens een fysiek lichaam heeft, is geen nieuws. De algemene menskunde beschrijft de mens ook als meer dan alleen zijn lichaam. Achter het tastbare en zichtbare lijf gaan heel wat gevoelens, gedachten, idealen en karaktereigenschappen schuil waardoor je in een bepaalde stemming bent en bepaalde beslissingen neemt. In de menskunde wordt dit onderscheid aangeduid als tweeledig mensbeeld: het fysieke en het geestelijke. Dit geestelijke deel is het deel dat volgens de antroposofie continu voortleeft en zich ontwikkelt door verschillende incarnaties heen. Het fysieke deel is daarentegen van tijdelijke aard en doet alleen in het huidige leven dienst als onderkomen van het geestelijke deel. Maakt dat het fysieke lichaam minderwaardig? Nee, want dat geestelijke deel heeft wel een stevig en gezond lichaam nodig als omgeving om zich in te kunnen ontwikkelen. Wat voor volwassenen geldt, geldt net zo goed voor de kinderen in de klas: met de zorg voor een lichaam dat te maken heeft met spanning of ziekte, is het lastig om je te richten op de geestelijke ontwikkeling (zie ook vitaliteit). In de kleuterklas doet de leerkracht er bijvoorbeeld alles aan om met gezonde etherkrachten de ontwikkeling van het fysieke lichaam te ondersteunen. Door een vast dag-, week- en jaarritme aan te brengen, kan er genoeg energie van het kind besteed worden aan de opbouw van het fysieke lichaam.

Drieledig mensbeeld: lichaam (met hoofd, hart en handen), ziel en geest

Binnen de vrijeschool wordt vaak gesproken over aandacht voor ‘het volledige kind’ of ‘het kind in zijn geheel’. Voor nieuwe docenten is dit vaak een nogal abstract beeld dat weinig houvast geeft in de lespraktijk. Wat wordt er nu precies bedoeld met het volledig kind? Het gaat hier om het kind als denkend, voelend en handelend wezen. Het denken wordt aangesproken met de lesstof, het begrijpen en verwerken daarvan. In de huidige samenleving staat het denken hoog in het vaandel, vaak uitgedrukt in prestaties en cijfers. Op de vrijeschool wordt het denken (het hoofd) echter aangesproken in samenhang met het hart (het voelen) en de handen (het handelen). Dat betekent dat een kind niet alleen bezig is met rekenen en taal (het denken, het hoofd), maar ook met toneelspelen, euritmie, zingen, schilderen, vormtekenen en handenarbeid, waarbij het gevoelsleven en handelen centraal staan. De ontwikkeling van het gevoelsleven (het hart) krijgt overigens niet alleen vorm in kunstzinnige lessen, maar krijgt in het hele curriculum alle aandacht doordat het leerlingen uitnodigt zichzelf, de ander en de wereld te ontmoeten en te bevragen. Zelfkennis en kennis van de (sociale) omgeving zijn cruciaal voor een evenwichtige ontwikkeling tot zelfstandig mens in onze samenleving. Leerlingen werken hier tijdens de lessen aan, maar ook tijdens de verschillende jaarfeesten en bijvoorbeeld de toneeluitvoeringen.

Wanneer je als leraar wordt geadviseerd om het kind ‘in zijn geheel’ te zien, word je dus geadviseerd om oog te hebben voor zowel het leren met het hoofd, het hart en de handen. Geen leerling is hetzelfde en je zal merken dat de ene leerling geneigd is om vooral zijn hoofd te gebruiken terwijl een andere leerling juist in eerste instantie vanuit het gevoel handelt. Aan de leraar de taak om het ontwikkelen van alle drie de dimensies te stimuleren. Misschien is het goed om te weten dat kinderen bewust of onbewust een voorbeeld nemen aan hun leraar. Als leraar kun je leren met hoofd, hart en handen dus stimuleren door het voor te leven. Het uiteindelijke streven is om de ontplooiing van elke leerling volgens de eigen aanleg te begeleiden en natuurlijk om de nodige kennis en vaardigheden bij te brengen om in de samenleving van morgen een eigen weg te kunnen vinden. Hierbij ondersteunen we de leerlingen in hun ontwikkeling tot vrije en moreel verantwoordelijke individuen die bekwaam en vaardig zijn om hun idealen na te streven.[4] Want het streven is dat het kind kan uitgroeien tot een volwassene die beschikt over een helder denkvermogen (hoofd) , een evenwichtig gevoelsleven (hart) en wilskrachtig handelen (handen).

Op vrijescholen wordt ook gesproken over lichaam, ziel en geest wanneer het gaat over het drieledige mensbeeld. Zoals gezegd, wordt met lichaam het fysieke lichaam bedoeld, dat we daadwerkelijk kunnen zien en voelen. Hoofd, hart en handen zijn daar onderdelen van. De geest is zoals hierboven beschreven de eeuwige kern van mensen.[5] Met de ziel wordt alles bedoeld waarin het niet-tastbare deel van mensen tot uitdrukking komt: het denken, het voelen van emoties en het willen. De ziel wordt in het drieledig mensbeeld gezien als de verbinding tussen geest en lichaam. In de ziel ontmoeten de geestelijke wereld en de fysieke wereld elkaar. Door de ziel kan de geestelijke kern indrukken opdoen, zich uitdrukken en zich laten zien in deze wereld en in dit leven.[6]

Vierledig mensbeeld: fysiek, ether- en astraallichaam, en ik

Om het allemaal wat ingewikkelder te maken, is er naast het tweeledig en het drieledig ook een vierledig mensbeeld. Lijkt verwarrend, maar bedenk dat het eigenlijk verschillende brillen zijn waardoor je naar de mens kijkt. Net zoals je een gebouw van meerdere kanten kunt bekijken door een rondje eromheen te lopen en er binnenin te kijken, zo kun je ook een mens en zijn ontwikkeling vanuit verschillende perspectieven zien. Wil je een gebouw écht leren kennen, dan zul je veel rondjes binnen en buiten moeten lopen en je in alle facetten moeten verdiepen. Van de grond waarop het fundament geslagen is tot het materiaal, de architectuur en de omgeving die het bouwsel een ziel geven. Voor de mens geldt dat net zo. De vraag is alleen of je het als leraar als je taak ziet om je leerlingen in al hun facetten te zien. Op de vrijeschool staat het streven daarnaar centraal. Behalve het verschil in hoofd, hart en handen en lichaam, ziel en geest, wordt er ook een onderscheid gemaakt tussen het fysieke lichaam, het etherlichaam, het astraallichaam en het ik. Alle vier spelen een rol bij de ontwikkeling van het kind tot zelfstandig en evenwichtig individu. Maar wel allemaal op een eigen moment. Het fysieke lichaam kennen we, maar er is meer. Zo is er ook iets wat het etherlichaam wordt genoemd. Dit lichaam zorgt ervoor dat het fysieke lichaam er niet alleen ís, maar ook dat het lééft. Het wordt ook wel het levenslichaam genoemd. Het etherlichaam omvat alle processen die het fysieke lichaam in leven houden zoals de bloedsomloop en de spijsvertering. Daarnaast omvat het alle ingesleten gewoontes en ritmes en het aanleren of inslijten ervan. Komt een verandering of reeks veranderingen bijvoorbeeld voor het gevoel te snel, dan kunnen we onrustig raken. Op dat moment protesteert het etherlichaam. Volledige controle over wat er om je heen gebeurt, heb je natuurlijk nooit, maar met veel vaste gewoontes en een duidelijk ritme draag je wel degelijk bij aan een gezond etherlichaam. Waarom kleuters dus een vast dagprogramma volgen en er tot en met de examenklas terugkerende rituelen zijn? Om het etherlichaam gezond te houden.

Natuurlijk bestaat de mens niet alleen uit een fysiek lichaam en een etherlichaam. We hebben allemaal ook gevoelens, dromen, emoties, impulsen waar we allemaal op een eigen manier op reageren. Ook hier heeft de menskunde een aanduiding voor: het astraallichaam. Tot slot is er het ik dat maakt dat je op jezelf kunt reflecteren en de ander kunt begrijpen. Je kunt een plan maken of ambities hebben en daar naartoe werken. Je kunt jezelf inhouden als je boos bent of juist heel blij en je wilt dat niet laten blijken. Volgens dit mensbeeld verbindt het ik ons met de hogere geestelijke wereld, en worden zelfinzicht, zelfbewustzijn en echte creativiteit mogelijk.[7]

De ontwikkeling van een kind

Binnen de vrijeschool wordt vaak gesproken over ‘de ontwikkeling van een kind’. Dat roept de vraag op hoe die ontwikkeling er volgens de menskunde dan precies uitziet. En voor leraren belangrijk: hoe begeleid je een kind gedurende zijn schooltijd zodanig, dat het goed is voorbereid om als volwassene in de wereld te staan? Gelukkig biedt de menskunde hier veel inzicht en handvaten. Deze bespreken we in uitgangspunt 2: de leeftijdsfasen.

3. Wat betekent het voor de leraar in de praktijk?

Alle besproken inzichten in de praktijk brengen, lijkt een hele opgave. Want hoe spreek je nu het etherlichaam van de leerling aan en hoe weet je of je tijdens je les nu zowel hart, hoofd als handen aanspreekt? Het kan behulpzaam zijn om zelf na te gaan vanuit welk perspectief je een leerling of klas wil benaderen. Laat je je eigen etherlichaam spreken of handel je juist vanuit je astrale lichaam? Dat klinkt een beetje hocus pocus, maar dat hoeft het niet te zijn. Bijvoorbeeld: na een speelochtend in de kleuterklas is het tijd om de boel weer op te ruimen. Je kunt nu simpelweg het gebruikelijke opruimlied inzetten. De kinderen zullen het herkennen als teken dat het tijd is om de spullen weer netjes op hun plek te leggen. In dit geval benader je de leerlingen vanuit je etherlichaam: je gebruikt aangeleerde gewoontes. Handel je vanuit het astrale lichaam, dan kun je tegen de klas zeggen dat je super blij zou zijn als het de kinderen lukt om de klas binnen dertig tellen op te ruimen. Je spreekt nu vanuit je eigen gevoel en dus je astrale lichaam.

De algemene menskunde beschrijft dat er een hiërarchie is in de vier wezensdelen. Onderaan de hiërarchie staat het fysieke lichaam daarboven staat het etherlichaam, dan komt het astraallichaam het en tot slot het ik. Een mens ontwikkelt zich van onderaf, dus eerst ontwikkelt het fysieke lichaam zich, dan het etherlichaam, dan het astraallichaam en tot slot het ik. Om een wezensdeel goed te kunnen laten ontwikkelen, werk je als volwassene steeds vanuit je eigen wezensdeel dat een treetje hoger op de hiërarchie staat. Dus om het fysieke lichaam zich te kunnen laten vormen, heeft het kind voor de geboorte het fysieke lichaam van de moeder nodig. Wanneer de moeder gezond leeft, kan een gezond fysiek lichaam van het kind aangelegd kan worden. Om het fysieke lichaam vanaf de geboorte tot ongeveer het zevende jaar verder te laten groeien en gezond te maken, bied je vanuit je etherlichaam, ritme en gezonde gewoontes aan. Ondertussen kan het etherlichaam in het kind aangelegd worden zoals het fysieke lichaam aangelegd werd in de baarmoeder. Om een gezond etherlichaam te ontwikkelen bij een kind, werk je vanuit je verschillende gevoelens die zich in je astraallichaam bevinden. Als volwassenen leef je emoties voor, zonder je daarin te verliezen. Je wijst op de schoonheid in de wereld en op verdriet. Ondertussen begint het astraallichaam in het kind zich te vormen. Om het astraallichaam vervolgens verder te vormen en te verstevigen, werk je vanuit je ik naar de leerling toe. Vanuit zelfbeheersing reageert de volwassenen op de impulsen van het astraallichaam van de leerling. Door richting te geven aan zijn idealen, leeft hij voor hoe je je astraallichaam kunt sturen.

Dit alles wordt de pedagogische hoofdwet genoemd. Het vraagt van de leraar dat hij de wezensdelen van zichzelf goed ontwikkelt. Je kunt je voorstellen dat je zonder zelfbeheersing, moeilijk iets kunt beginnen met het astraallichaam van een puber. Zo kun je ook met een beperkt ontwikkeld astraallichaam, moeilijk het etherlichaam van het kind verstevigen. De leraar voedt zichzelf op en daarmee stimuleert hij het kind zich aan hem op te trekken.[8]

Hoe je in je onderwijs gebruik kunt maken van de pedagogische hoofdwet, beschrijven we in uitgangspunt 2: leeftijdsfasen en 3: curriculum. Daarbij maken we een onderscheid tussen de lessen in de kleuterklas, de onderbouw en de midden- en bovenbouw. Deze indeling gaat ervan uit dat je de eerste zeven jaar een kind vooral laat nabootsen. Zoals we straks in de praktijkvoorbeelden zullen zien, komt pas in de tweede zeven levensjaren autoriteit en gezag om de hoek kijken. Dit is de leeftijd waarop kinderen de kleuterklas hebben verlaten en beginnen aan het schoolse leren zoals leren schrijven en rekenen. In de derde zeven jaar (tussen de 14 en 21) zitten de leerlingen inmiddels op de middelbare school en autoriteit en gezag zijn niet langer vanzelfsprekend. Hier neemt het vrije oordeelsvermogen een belangrijke plek in de opvoeding in. Kenmerkt de negendeklasser zich nog door een zwart-wit denken, in de tiende zien we leerlingen oordelen vanuit het gevoel. Nog een jaar later krijgt het individuele oordeel vorm en wanneer de leerling eenmaal de twaalfde klas bereikt, is hij in staat een universeel, moreel en ethisch oordeel te vormen.

De hier geschetste indelingen zijn nog eenvoudige weergaves van de menskunde. De menskunde beschrijft verschillende sub-indelingen binnen elk gebied. Zo wordt een gedetailleerd beeld van de mens opgebouwd. Uitgangspunt 2: leeftijdsfases gaat daar dieper op in.

Welke doelen kun je als leraar nastreven?

Als we het denken, voelen en willen stimuleren bij deze leeftijdsgroep, kun je binnen je lessen de volgende competenties in je achterhoofd nemen.

Waar kun je op inzetten als je het evenwichtige denken wil stimuleren?

  • Leerlingen kunnen vragen stellen
  • Leerlingen kunnen een eigen standpunt in te nemen
  • Leerlingen kunnen een vraagstuk vanuit verschillende perspectieven bekijken.
  • Het lukt leerlingen om na afweging van verschillende argumenten tot een oordeel te komen

Waar kun je op inzetten als je het evenwichtig gevoelsleven wil aanspreken?

  • Leerlingen zijn sociaal
  • Het werk van de leerlingen is kunstzinnig
  • Leerlingen hebben grip op hun eigen gevoelens
  • Leerlingen kunnen gevoelsnuances beleven
  • Leerlingen kunnen een eigen standpunt innemen met overtuigingskracht uitdragen
  • Leerlingen beschikken over empathisch vermogen

Hoe zet je leerlingen aan tot wilskrachtig handelen?

  • Leerlingen kunnen over hun weerstanden heen stappen
  • Leerlingen kunnen plan maken en volhouden
  • Het werk van de leerlingen is goed afgewerkt
  • Leerlingen beschikken over zelfdiscipline

Natuurlijk verschilt het per vak en les welke vorm deze vaardigheden krijgen. Voor concrete lesideeën raden wij aan eens een kijkje te nemen op Vrijeschool Wiki.

Tot slot

Het is dus niet zomaar dat er op de vrijeschool elke dag een spreuk wordt gezegd. Ook is het niet voor niets dat het schoolse leren pas wordt uitgesteld tot na de kleuterklas. Het heeft alles te maken met hoe een kind zich volgens de menskunde ontwikkelt. De gemeenschap waarin een kind zich kan ontwikkelen is hierbij van groot belang. Juist het samenzijn, de verbondenheid met klasgenoten en leraar zorgt voor de stevige en veilige basis waarop een kind kan rekenen en terugvallen. De spreuk is een voorbeeld van een moment waarop de ontmoeting centraal staat. Samen de dag beginnen, de verbinding vinden met elkaar en de leraar. Een gewoonte waarmee tot aan het eindexamenjaar het etherlichaam gezond houdt.

Verwijzingen en bronnen

  1. Met algemene menskunde wordt het totaal aan antroposofische inzichten in de mens bedoeld, zoals beschreven door Rudolf Steiner. Het boek Algemene menskunde al basis voor de pedagogie bestaat uit een serie van zijn lezingen voor leraren, waarin hij deze inzichten verbindt met de praktijk van het pedagogische handelen. Leraren op vrijescholen bestuderen deze lezingen vaak gezamenlijk en laten zich erdoor inspireren bij het vormgeven van het onderwijs. Recentelijk heeft Valentin Wember enkele boeken geschreven waarin hij de algemene menskunde wat toegankelijker maakt voor de hedendaagse leraar.
  2. In ‘Menschenkunde Verstehen’ (Albert Schmelzer & Jan Deschepper, Edition Waldorf; 1919) staan 14 essays gebundeld waarin Steiners voordrachten van de ‘Allgemeine Menschenkunde’ vanuit hedendaagse wetenschappelijk perspectief inzichtelijk worden gemaakt.
  3. Klas 1t/m6 op een vrijeschool, vergelijkbaar met groep 3 t/m 8 op een reguliere school.
  4. Jansen, A., Mayo, A., Ebskamp, F. (2017). kwaliteitskader vrijescholen voor voortgezet onderwijs.
  5. Zoals hoofd, hart en handen onderdelen zijn van het fysieke lichaam en denken, voelen en willen krachten in de ziel, zo zijn imaginatie, inspiratie en intuïtie vermogens van de geest.
  6. https://hiberniaschool.be/steinerpedagogie/antroposofie/
  7. Hans Stolp, Trouw 8-05-2020
  8. Wember, V. (2019). Sociale vaardigheden in de Waldorf-pedagogie. Amsterdam: Uitgeverij Pentagon.

Meer lezen en bekijken?

8 uitgangspunten

Het kompas is opgebouwd aan de hand van acht uitgangspunten. Zeven daarvan zijn gebaseerd op de uitgangspunten die Elan Leibner hanteert in The Seven Core Principles of Waldorf Education*. Het achtste uitgangspunt: vitaliteit, is gebaseerd op de vijfde dimensie, zoals beschreven in Het bouwwerk van de Waldorf-pedagogie van Valentin Wember **.