Thema: Oordeelsvorming

Oordeelsvorming

We oordelen allemaal, de hele dag door. Maar hoe doordacht is eigenlijk het oordeel dat we vellen? Er zijn snelle, oppervlakkige oordelen en er zijn oordelen die met zorg en bezinning tot stand komen. Kun je leren om tot een gerijpter oordeel te komen? Hoe ontwikkelt het vermogen zich bij kinderen en jongeren? En hoe ziet dat er in de schoolpraktijk uit? Waarom werkt het daar soms anders dan thuis, en wat vraagt dat van de leraar? Op deze vragen gaan we in dit thema dieper in.

Het inzicht van een eigen oordeel rijpt.Uit de grondsteenspreuk van Novalis College Eindhoven

Wat is oordelen?

De wereld van de oordeelsvorming beslaat een breed spectrum: van meningen tot een moreel oordeel en alles ertussenin. Een wereld waarin de woorden twijfel, nuance en dilemma een terechte plaats en waardering zouden moeten krijgen. Oordelen is een werkwoord: een mening heb je, een oordeel vorm je. Oordelen is een activiteit waarbij wordt gewikt en gewogen, Bijvoorbeeld over goed en kwaad, zoals Vrouwe Justitia mooi verbeeldt met haar weegschaal. De vraag is: wat leggen we in de schaaltjes om af te wegen? Wanneer we daarover nadenken, wordt al snel duidelijk dat de ontwikkelingsfase van het kind bepalend is voor wat er in de schaaltjes kan of moet komen.

Een belangrijk kenmerk van de vrijeschool is dat leerlingen geen kant-en-klare oordelen (kennis) meekrijgen; het onderwijs helpt hen juist om die zelf te ontwikkelen. Het onderwijs maakt dat de leerlingen zich bijvoorbeeld bewust worden van vooroordelen en stimuleert hen om breder te kijken en te denken. Op de basisschool en in de lagere klassen van de middelbare school worden aan de voorwaarden gewerkt. In de hogere klassen van de middelbare school is oordeelsvorming een doelstelling binnen alle vakken en volgt het een bewuste opbouw in het leerplan. Het eerste aangrijpingspunt is het denken: waarnemingen (ervaringen) verbinden aan begrippen. Dan volgt het voelen: waarnemingen (ervaringen) betekenis geven en persoonlijk maken. Ten slotte volgt in de hoogste klassen het verbinden met de wil: waarnemingen vormen tot een oordeel dat leidt tot verantwoord handelen.

Het stimuleren van kinderen in de zoektocht naar een eigen oordeel; dat is de kern waar het om draait.

Twee beschrijvingen

Lex Bos: “Een oordeel is een dialoog tussen een zintuiglijk gebeuren dat zich richt op iets buiten me (waarnemen) en een cognitief gebeuren dat zich in mij voltrekt (denken). De waarneming is altijd eenmalig en uniek. Het begrip is eeuwig en universeel. Waar het universele in het unieke, het eeuwige in het eenmalige wordt herkend, ontstaat het oordeel.”[1]

Willi Aeppli: “Oordelen is een aantal zintuigindrukken onderscheiden en weer opbouwen tot een nieuw geheel. Oordelen is daarin iets heel anders dan kennis. Kennis kun je vergroten, uitbouwen. En kennis kun je tevoorschijn halen als de situatie het vraagt. Oordelen liggen niet kant-en-klaar in ons, als het goed is. Elke situatie vraagt om een eigen en nieuw oordeel. Je kunt niet een groot arsenaal van oordelen opbouwen, zoals je wel met kennis doet. Er doet nog iets meer mee bij oordelen. Het begrip diefstal is helder, maar in bepaalde situaties (Robin Hood) werd de dief een held. Bij oordelen speelt een afwegen van de omstandigheden mee, een invoelend vermogen. Oordelen is vaak een wikken en wegen, een proces dat soms lang heen en weer kan gaan, maar tot slot wordt afgesloten met een besluit. In die zin doen denken, voelen én willen mee in een oordeelsproces. Een oordeel beïnvloedt de wereld of jezelf.”[2]

Wat zien we?

In de 7e klas zie je leerlingen die van alles verzamelen. Op de tafels staan scheikundeproeven; ze kijken aandachtig, schrijven op wat ze zien zonder oordeel. De leraar stelt vragen als: ‘wat gebeurde er toen je de vloeistof verwarmde?’ en ‘wat veranderde er precies?’. Tijdens een Engelse les onderstrepen de leerlingen werkwoorden, maken lijstjes van ronde dingen of bijwoorden die beginnen met een “a”. Ze oefenen zuivere waarneming, het verzamelen van feiten, het beschrijven wat is, niet wat ze ervan vinden.

In de 9e klas heerst helderheid. Een antwoord is goed of fout: de Verlichting versus de Romantiek, een ets is zwart-wit en het werk is onomkeerbaar. De leerlingen zoeken precisie en vinden houvast in het zuiver onderscheiden van feiten. Ze oefenen het zwart-wit denken, dat hen helpt de wereld scherper te zien. Kom dus niet aan met ‘deze vertaling is goed, maar die vertaling is nog wat beter’. Strikte grammaticaregels met hen oefenen, levert vaak meer op.

In de 11e klas wordt er gedebatteerd over actuele kwesties: orgaandonatie, vliegen, kansengelijkheid. De leerlingen leren op basis van feiten en gevoel hun eigen overtuiging uit te spreken en te onderzoeken. Tegelijkertijd horen ze ook de overtuigingen van anderen en leren ze dat verschillende overtuigingen naast elkaar kunnen bestaan. Tijdens een Engelse les lezen ze bijvoorbeeld Macbeth, vol schijn en tegenspraak. Ze leren de gelaagdheid van de werkelijkheid kennen, het “waarom” achter de dingen.

Waarom doen we wat we doen?

In de huidige tijd waarin leerlingen vanaf jonge leeftijd worden overspoeld met informatie via sociale media en andere digitale kanalen, is het vermogen om zelfstandig en kritisch oordelen te vormen nog belangrijker geworden. De maatschappij kenmerkt zich door toenemende polarisatie, en jongeren worden voortdurend verleid tot het vormen van snelle, ondoordachte oordelen. Op sociale media zien zij dagelijks hoe mensen zich zonder nuancering uitspreken over complexe kwesties – en wat zorgwekkender is: dit gedrag wordt beloond met aandacht en navolging. Deze stemmen worden luider en zichtbaarder, terwijl meer genuanceerde, doordachte stemmen stiller en minder toegankelijk blijven.

Voor jongeren, die deze snelle oordeelscultuur als normaal leren kennen, ontbreekt het vaak aan tegengewicht en alternatieve voorbeelden. Daarom is het een belangrijk doel van onderwijs dat jongeren leren om zelfstandig kritische keuzes te maken over morele en maatschappelijke kwesties, en dat ze hun eigen waarden en idealen kunnen ontwikkelen.

Het onderwijs op de vrijeschool werkt aan de ontwikkeling van het oordeelsvermogen van leerlingen door aan te sluiten bij de verschillende ontwikkelingsfasen. Volgens Rudolf Steiner en het antroposofische mensbeeld ontwikkelen kinderen zich in fasen. Tussen het zevende en veertiende jaar leeft bij kinderen de natuurlijke behoefte om te leren en te handelen vanuit vertrouwen in gezag. In deze levensfase vormen zij hun innerlijke basis door op te kijken naar volwassenen die zij als waarachtig en betrouwbaar ervaren.

Leraren stellen bijvoorbeeld vragen als: ‘Was het leuk bij opa en oma?’, of ‘Wat vonden jullie van deze spreekbeurt?’. Steiner benadrukte dat kinderen in deze jaren nog niet toe zijn aan een eigen zelfstandig oordeel; zij hebben eerst voorbeelden nodig waaraan zij zich kunnen spiegelen. Door dat gezonde gezagsgevoel te ontwikkelen, ontstaat later het vermogen tot gelijkwaardig en rechtvaardig samenleven. Vanuit antroposofisch perspectief vormt dit vertrouwen in autoriteit de kiem voor het besef van gelijke rechten dat de volwassene later uitdraagt.

Oordelen en het astraallichaam

Pas het volledig geboren astraallichaam heeft het vermogen tot ‘oordelen’. Dit gebeurt rond het veertiende jaar. Kinderen te vroeg tot oordelen brengen, maakt het moeilijker om de emotionele intelligentie te laten uitrijpen. Kinderen wordt dan bijvoorbeeld gevraagd wat zij van een situatie vinden, terwijl zij dat oordeel nog niet helemaal kunnen geven.

In deze tijd worden kinderen steeds eerder aangemoedigd om zelfstandig te denken en verantwoordelijkheid te nemen, terwijl ze tegelijkertijd de behoefte houden aan betrouwbare volwassenen als voorbeeld en veilige basis. In een wereld waarin vertrouwde kaders door snelle maatschappelijke en technologische veranderingen wegvallen, vraagt dit van leraren een grote mate van wakkerheid en tegenwoordigheid van geest om zowel met Steiners visie als met hedendaagse pedagogische inzichten om te gaan.

Kenweg en keuzeweg

De Nederlandse onderzoeker Lex Bos onderscheidt in zijn werk 'Oordeelsvorming, een weg naar innerlijke vrijheid' twee vormen van oordelen: het kenoordeel, dat ontstaat door waarnemen en begrijpen, en het keuzeoordeel, dat ontstaat door afwegen en handelen. Zonder goed waarnemen en begrijpen wordt een keuze oppervlakkig. Zonder besluit of handeling blijft kennis abstract. Het in evenwicht brengen van deze twee vermogens – inzicht en verantwoordelijkheid – is de kern van volwassen oordeelsvorming.

Oordelen gaat via waarnemen, onderzoeken en begrijpen (de kenweg) of afwegen, voelen en besluiten (de keuzeweg). Dat vraagt oefening in drie samenhangende krachten: denken, voelen en willen. Denken begint met nauwkeurig waarnemen: leren zien wat er werkelijk is, zonder direct te oordelen. Voelen helpt onderscheid te maken tussen sympathie en antipathie, en de middenweg te vinden. Willen richt zich op bewust handelen: iets doen vanuit innerlijke motivatie, met aandacht en betrokkenheid.

Door in het onderwijs voortdurend te oefenen in helder denken, gevoelig voelen en bewust handelen, ontwikkelen leerlingen een vermogen dat hen helpt om vrij en verantwoordelijk te oordelen; een waardevolle vaardigheid in een tijd die hen voortdurend uitdaagt tot snelle, ongefundeerde oordelen.

Wat betekent dat voor leraren?

Wat staat leraren te doen zodat leerlingen een gezond oordeelsvermogen kunnen ontwikkelen? Zij hebben ten eerste een voorbeeldfunctie. Daarnaast kunnen zij met activiteiten, gesprekken en vragen de leerlingen de ruimte geven om de verschillende facetten van de oordeelsvorming te oefenen. Hieronder staat beschreven hoe dat er in de praktijk uit kan zien.

Bewust zijn van eigen oordelen

Om bij leerlingen een gezond oordeelsvermogen te ontwikkelen, helpt het als leraren dit eerst zelf oefenen. Dat vraagt van de leraar: goed waarnemen, oordelen uitstellen en open blijven staan voor wat zich aandient. Fenomenologische waarnemingsoefeningen, de zes basisoefeningen, de avondterugblik, maar ook leerlingbesprekingen, intervisie en collegiale gesprekken kunnen daar allemaal aan bijdragen. [3] Ook in leerlingbesprekingen kan dit geoefend worden door niet te snel conclusies te trekken, maar samen te onderzoeken wat er werkelijk te zien is.

Ook kunnen leraren bij zichzelf onderzoeken wat de eigen waarden en normen zijn die ze, vaak heel onbewust, met zich meedragen. Ook schoolwaarden en -normen spelen in een schoolsysteem regelmatig, onbenoemd, een grote rol en vragen om expliciet gekend en benoemd te worden. Waar leraren minder invloed op hebben zijn de ‘waarden’ die een kind vanaf het prille begin verzamelt. Veel waarden komen van thuis en tegenwoordig ook via sociale media. Dat zijn met name ‘culturele’ waarden die in een gezinssysteem dominant kunnen zijn. In de hogere klassen van de bovenbouw is het waardevol als de leerlingen zich bewust worden van deze vaak slapende waarden en normen. Anders belanden deze onbewuste waarden en normen toch in één van de schaaltjes van de weegschaal — en die wegen vaak zwaar. Dáár krijgt het begrip ‘waardeoordeel’ zijn betekenis.

Stap voor stap

Leraren begeleiden leerlingen stap voor stap naar zelfstandige oordeelsvorming. Elke leeftijd vraagt een andere pedagogische houding: jonge kinderen leren door nabootsing en vertrouwen, oudere leerlingen door ervaring, inzicht en oefening. Volgens de antroposofische menskunde rijpt het vermogen tot zelfstandig oordelen pas volledig wanneer het astraallichaam rond het veertiende jaar “geboren” wordt. Een te vroege aanspraak op meningsvorming kan de emotionele ontwikkeling volgens deze zienswijze belasten, maar de voorbereiding op gezond oordelen begint al in de vroege kindertijd. In de nieuwe kerndoelen van SLO is ook aandacht voor de oordeelsvorming van leerlingen. Veel van de kerndoelen kunnen een plek krijgen in de leerplannen zoals die nu uitgevoerd worden. Lerarenteams en schoolleiding kunnen samen kijken waar welke kerndoelen het beste aan de orde kunnen komen en op welke manier.[4]

Hieronder volgt stapsgewijs de opbouw van het leren oordelen binnen het vrijesschoolleerplan. Eerst staan elementen beschreven die in de eerste schooljaren bijdragen aan de voorwaarden om later een gezond oordeelsvermogen te kunnen ontwikkelen. Vervolgens staat vanaf klas 7 per klas beschreven hoe stapsgewijs gewerkt kan worden aan het leren oordelen.

Alles wat een mens heeft geleerd en meegemaakt is als een bron waaruit geput wordt bij het opbouwen van een oordeel.-

Onderbouw (het po)

Ontwikkelingsfasen

Van 0-7 jaar werkt het kind aan het fysieke lichaam. Uit alle waarnemingen en zintuigervaringen neemt het kind dat op wat in zijn ontwikkeling past. Zo wordt het lichaam tot een instrument voor latere, ook psychologische, vaardigheden, bijvoorbeeld het oordeelsvermogen.

Van 7-14 jaar worden de autoriteit en het woord van de leraar het opvoedmiddel. Hiermee worden de vrije etherkrachten in structuur gebracht en een bruikbaar instrument voor het bewustzijn in het latere leven. De leraar brengt de wereld in woorden, maar zó dat die woorden nog groeikracht in zich dragen: ze zetten begrippen niet vast, maar beschrijven de wereld vanuit de waarneming op een manier die ruimte laat voor het latere, eigen oordeelsproces van de leerling.

Spelen

Zowel het vrije spel als het samenspelen. Kinderen verwerken in hun spel wat ze hebben meegemaakt en gezien. Zo bouwen ze die ervaringen als het ware in hun lichaam op, waardoor het deel wordt van hun lichaamseigen geheugen. In een kringspel als ‘Groen is gras’ ervaren kinderen dat je ieder ander kind uit de kring kunt uitnodigen om mee te dansen. Maar ook dat je zelf door ieder ander kunt worden uitgenodigd en dat je soms moet wachten tot je uitgenodigd wordt. Iedereen is gelijk.

Het goede voorbeeld

De leraar geeft met iedere handeling een oordeel mee: hoe verwelkomt de leraar de kinderen, de ouders? Met welke aandacht verzorgt hij een bosje meegebrachte bloemen of snijdt hij het fruit? Hoe beslecht de leraar een ruzietje of brengt een drukke klas tot rust? Al deze waarnemingen dragen een oordeel in zich dat het kind meeneemt.[5]

Vertrouwen in volwassenen

Tot en met het twaalfde jaar is de natuurlijke houding van het kind tot de volwassene er een van vertrouwen. Vanuit deze openheid is het vol nieuwsgierigheid en leergierigheid hoe de volwassenen om hem heen de wereld toont, over de wereld oordeelt en hoe deze in de wereld handelt. De leerlingen houden van datgene waar de autoriteit van houdt en andersom. Deze houding vraagt omgekeerd van de opvoeder om een autoriteit te (durven) zijn. Een liefdevolle autoriteit met diepe en echte belangstelling voor de kinderen.

Een rijk gevoelsleven ontwikkelen

Het gevoel is een belangrijk onderdeel van het oordeelsproces. Ontwikkelen van gevoel voor de wereld en het leven is een belangrijke opgave voor de opvoeder. Een belangrijk hulpmiddel daarvoor is het vertellen van verhalen. Zo schildert de leraar in beelden, waarin ruimte is voor het gevoel.

Grammatica

Het zit soms in kleine dingen. Zelfstandige naamwoorden horen meer bij het denken, werkwoorden bij het handelen en bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden bij het gevoel. En dan zit er zelfs verschil in zinsneden als: ‘Ik zag een rode roos’ of ‘Ik zag een roos; deze was rood.’. In het laatste geval is het moment van oordelen over de roos nog “navoelbaar”. De vrijheid van het oordeelproces is nog sterker aanwezig als in een tekst kan klinken: de roos was zo rood als de lucht bij een ondergaande zon. Oftewel: als het oordeel wordt gegeven in een beeld.

Karakteriseren, beschrijven

Ieder ding, iedere situatie heeft meerdere kanten. Door te beschrijven wat is waargenomen, het liefst vanuit zo veel mogelijk gezichtspunten, geeft de luisteraar de gelegenheid een zo getrouw mogelijk beeld op te bouwen. Ook is de luisteraar vrij om een eigen oordeel op te bouwen. Van een boek waarvan een lezer zegt: ‘Fantastisch!’ weet de ander in feite nog niets.

Dit vraagt van de leraar zelf zorgvuldig en van alle kanten waar te nemen, al deze kanten te verwoorden en om goede vervolgvragen te leren stellen als leerlingen iets beschrijven.

Leren waarnemen en beschrijven

Voor het opgroeiende kind is het eveneens zeer belangrijk om te leren waarnemen, weergeven en verwoorden. Zeker als het gevoel voor autoriteit wat afneemt (vanaf klas 4, het tiende jaar), is het belangrijk om een empathische band met de wereld op te bouwen via de waarneming. Het onderwijs biedt talloze mogelijkheden: in opstellen, in alle zaakvakken, maar zelfs in een vak als rekenen: 8= 5+3 én 9-1 én 4x2 geeft een rijk beeld van de 8.

Zo dragen allerlei activiteiten bij aan de voorbereidingen van een evenwichtig oordeelsvermogen. Het basisonderwijs geeft een arsenaal aan begrippen-in-beeldvorm mee, een rijk gevoelsleven met betrekking tot wereld en (mede)mens en een lijf dat in staat is tot wikken en wegen.W. Aeppli [6]

Middenbouw (onderbouw van het vo)

Vanaf de middenbouw is er in het leerplan stapsgewijs aandacht voor de ontwikkeling van het oordeelsvermogen. Passend bij de ontwikkelingsfasen van leerlingen worden de vaardigheden geoefend die bij het vormen van een oordeel nodig zijn.

De 7e klas – het oefenen van zuivere waarneming
In de 7e leren leerlingen feiten verzamelen waarop ze hun oordeel kunnen bouwen. De eerste stap is zuiver leren waarnemen: wat zie je precies bij deze natuurkundeproef, wat hoor je in het Duits? Zo ontwikkelen ze het vermogen om onderscheid te maken tussen waarnemen en oordelen – en leren ze hun oordeel nog even uit te stellen.

De leraar richt zich in deze fase op het oefenen van causaal-analytisch denken: oorzaak en gevolg herkennen en verbanden leggen. Dat kan in alle vakken: bij muziek kun je als leraar bijvoorbeeld de aandacht vestigen op de lengte van de snaar die de toonhoogte bepaalt. Of in het talenonderwijs: als iets in het meervoud staat, dan plakken ze er een s aan. Langzaam maar zeker ontdekken de leerlingen wetmatigheden en leren ze redeneren: als ik wil dat dit karretje hobbelend rijdt, moet ik de as van het wiel uit het midden plaatsen. Ze willen nu leren denken als hun leraren, en juist de veelheid aan denkwijzen die zij ontmoeten, omdat je op het vo van meerdere leraren les krijgt, helpt hen hun eigen oordeelsvermogen te ontwikkelen.

Wat kun je als leraar doen?

  • Stel beschrijvende vragen: Wat zie je? Wat veranderde er?
  • Vermijd te vroege interpretatie: laat leerlingen eerst observeren
  • Gebruik ritme en rust, zodat het waarnemen tot ervaring kan worden.

De 8e klas – het ontwaken van zelfstandigheid
Wat in de 7e klas nog vanzelfsprekend was, wordt nu bevraagd. Waarom is dat zo? Wie zegt dat eigenlijk? Het kind dat volgde, wil nu zelf begrijpen, meten, bewijzen. In aardrijkskunde onderzoeken leerlingen de industriële revolutie: wat veranderde er en waarom? In wiskunde leren ze formules toepassen, in geschiedenis zien ze hoe machtsverhoudingen verschuiven. Ze ontdekken dat de wereld volgens wetmatigheden in elkaar zit – en dat die te begrijpen zijn.

Ze willen niet meer alleen horen wat waar is; ze willen het zelf ontdekken, toetsen, vaststellen. De 8e klas markeert het begin van zelfstandig denken. Kennis wordt niet langer ontvangen, maar verworven door eigen inspanning. Het kind leert denken als een eigen instrument te gebruiken.

Wat kun je als leraar doen?

  • Geef opdrachten die onderzoek en bewijs vragen.
  • Leg verbanden tussen vakken: hoe grijpt natuurkunde in op geschiedenis?
  • Blijf richtinggevend, maar geef ruimte om te redeneren.

De 9e klas – het oefenen van het onderscheidende oordeel
In de 9e klas verandert de toon: het denken van de leerlingen wordt krachtiger, scherper en kritischer. Waar in de 7e klas nog verwondering centraal stond, willen ze nu weten wat klopt. Met kracht delen zij hun eigen kijk op de zaak. Het gaat dan vaak om snelle, emotioneel gekleurde, ongenuanceerde oordelen. Iets is gewoon belachelijk of juist fantastisch, een antwoord is goed of fout, een ets is zwart-wit en mag geen vlek hebben. Ze zoeken houvast en duidelijkheid in een wereld die vaak verwarrend is. Nu komt de oordeelsvorming echt centraal te staan, en dat begint bij het denken. Leerlingen leren denken zoals in de verschillende vakken gedacht wordt en zoals verschillende leraren denken. Daarbij ontdekken ze dat er meerdere wegen zijn naar waarheid.

Het is belangrijk dat leraren de leerlingen weer goed laten waarnemen, zoals dat in de jaren daarvoor geoefend is. De leraar is in deze fase een vakinhoudelijke autoriteit: geworteld in een eigen, oprechte zoektocht naar waarheid kan hij de leerlingen enthousiasmeren om zelf te onderzoeken en zelfstandig te leren oordelen.

De focus ligt op het vormen van een eigen oordeel, gebaseerd op nauwkeurige waarneming en vergelijking. Zo kunnen leerlingen bijvoorbeeld kunstwerken uit twee verschillende stromingen bekijken, natekenen en beschrijven, om vervolgens met elkaar te bespreken waarin ze verschillen. Of in natuurkunde onderzoeken hoe oorzaak en gevolg samenhangen in een experiment.

Dat vraagt van de leraren wel wat terughoudendheid. De leerlingen willen namelijk vaak het liefste dat de leraar gewoon het antwoord geeft. Hier kan het helpen om de ‘twee dagen-methodiek’ toe te passen. De eerste dag ligt de nadruk op het waarnemen. Een of enkele dagen later wordt de waarneming uit de herinnering opgehaald, gezamenlijk als klas wordt het plaatje weer opgebouwd. Daarna vraagt de leraar pas naar meningen en oordelen. En het gaat dan om oordelen met betrekking tot het waargenomen proces en deze hebben niets te maken met: wat vind jij ervan?

Wat kun je als leraar doen?

  • Geef opdrachten waarin helderheid en precisie ertoe doen.
  • Waardeer onderscheidingsvermogen, maar roep ook nuance op: Zou het ook anders kunnen zijn?
  • Je kunt ze voor- en tegenrijtjes laten maken bij een dilemma en daar een afweging bij laten maken. Vraag dan niet het uiterste, zo’n levendige, bezielde afweging is al heel mooi.

Bovenbouw (van het vo)

De 10e klas – het zoeken naar samenhang en betekenis
In de 10e klas verandert het perspectief: leerlingen onderzoeken de wereld niet meer alleen op feiten, maar vooral op verbanden. Ze vragen niet langer alleen wat, maar ook waarom, hoe en waartoe? In de natuurkunde zoeken ze naar wetten die verschijnselen met elkaar verbinden, in de literatuur bespreken ze personages en motieven om de diepere betekenis te begrijpen. Ze willen de wereld van binnenuit leren kennen. Ze willen begrijpen en betekenis geven.

Naast het denken, doet het voelen nu ook meer mee bij het vormen van een oordeel. Leerlingen willen begrijpen, maar ook ervaren wat iets voor hen betekent. Het oordeel krijgt toon en kleur – het wordt menselijker. Hun gevoelens hebben meer diepgang gekregen, terwijl ze tegelijkertijd meer afstand kunnen nemen van hun eigen beleving. Dit afstand nemen vraagt tegelijkertijd ook om geduld en om niet meteen een oordeel klaar te hebben. Dan ontstaat ruimte voor een meer theoretisch oordeel: een oordeel dat niet alleen gevoelsmatig, maar ook beredeneerd en afgewogen is.

Voor leraren ligt de uitdaging in het aanbieden van leerstof waarin processen zichtbaar en analyseerbaar zijn. Denk aan de ontwikkeling van een embryo in de biologie, de opeenvolging van stromingen in de kunst of de geschiedenis, of het herkennen van samenhangende wetmatigheden in natuurkundige verschijnselen. Op die manier leren leerlingen verbanden zien en betekenis geven aan wat ze onderzoeken.

Wat kun je als leraar doen?

  • Geef ruimte aan vragen zonder vast antwoord.
  • Stimuleer interpretatie, maar laat die steeds steunen op waarneming of tekst.
  • Laat zien dat begrijpen en voelen elkaar versterken.

Leren oordelen op school en in het leven

“Bepalend zijn de gevoelens van degenen die hier oordelen. Deze zorgen ervoor dat in de klas een gemeenschap tot stand komt. Samenhangen worden weliswaar voorgesteld, maar nergens in discussie gebracht, onderzocht of bewezen. Je blijft ver weg van de veelomvattende feitencomplexen van historische of zelfs van psychologische aard. Je houdt je aan mensen; aan stemmingen; er worden meningen gevormd. In het gevoelsoordeel worden in de grond van de zaak niet twee zaken in de wereld verbonden, maar steeds een zaak met mij of in dit geval, met de klas. Zo’n gevoelscarroussel tijdens de terugblik, die moet er zijn. Alleen op deze wijze wordt de overgedragen nieuwe stof tot een eigen bezit. En alleen zo ontstaat de behoefte aan een eerste diepergaande verheldering, aan een overzicht over het geheel. Dan pas moet, wat de leerlingen gehoord hebben, in de richting van geestelijk beoordelen en begrijpen worden geleid. Als niet eerst de subjectiviteit op en neer kan golven, kan later niet aan een objectieve structuur worden gewerkt.”

Manfred von Mackensen (2009), Leren oordelen op school en in het leven

De 11e klas – het eigen standpunt
In de 11e klas komt het persoonlijke oordeel tot bloei. Jongeren willen zich uitspreken en positie innemen. Ze willen ontdekken waar ze staan als individu en binnen de groep. Stimuleer als leraar dat zij eigen standpunten ontwikkelen om die vervolgens te plaatsen in de context van de klas of de maatschappij. Het is namelijk van belang om de verschillende stemmen te horen en naast elkaar te kunnen laten staan en om te oefenen in het ‘perspectief wisselen’. Zo ontdekken ze dat goed en kwaad niet eenduidig zijn. Zo leren ze dat een situatie, een probleem veelzijdig is en dat een oordeel niet vast hoeft te staan, dat je van anderen kunt leren, dat een oordeel kan rijpen. Dit is niet altijd even gemakkelijk. Het vraagt om afzien van je eigen oordeel als enig ware oordeel en om geduld en ruimte geven aan de ander.

Omdat leerlingen zichzelf meer leren uitspreken en zichzelf op deze manier meer als individu leren onderscheiden, kan juist nu ook een wezenlijke interesse voor de ander ontstaan. Van groot belang is dat verschillen naast elkaar kunnen worden gezien en geaccepteerd (in plaats van tegenover elkaar staan en elkaar uitsluiten)

Interesse in het wezen van het ander kan worden tot een empathisch oordeel. Het gevoel is hierbij een wezenlijk onderdeel geworden van het oordeel. Dit is ook de basis van de fenomenologie. In de scheikundelessen kan het bijvoorbeeld gaan over de eigenschappen van lood; het karakter van lood en naast de eigenschappen van goud, het karakter van goud. De beide metalen worden zo in hun wezen zichtbaar. In de literatuur zijn vele boeiende personages waarin de leerlingen zich kunnen verdiepen. Denk aan Parcival of meer eigentijdse personages uit de moderne literatuur zoals …. Ook de grote wereldreligies kunnen zo besproken worden.

Leeftijd en interesse

“Ooit behandelde een leraar in de tiende klas een periode astrologie (een jaar eerder dan gebruikelijk). De leerlingen waren vooral geïnteresseerd in de banen van de planeten en hoe die te berekenen. Bij hetzelfde vak in een elfde klas waren de leerlingen vooral geboeid door de lotgevallen en dilemma's waarin sterrenkundigen als Galilei en Copernicus terechtkwamen door hun waarnemingen en de verkettering ervan door de kerk.”

Joop van Dam in: Menskunde, pedagogie en gemeenschapsvorming

Wat kun je als leraar doen?

  • Stimuleer argumentatie én openheid voor andere perspectieven. Het gaat niet om winnen, maar om elkaars perspectieven te leren kennen.
  • Werk met dialogische vormen: luisteren, samenvatten, herformuleren.
  • Laat zien dat twijfel geen zwakte is, maar onderdeel van rijp oordeelsvermogen.
  • Iets leren kennen begint nog altijd bij waarnemen; inleven komt er steeds meer bij.

De 12e klas – het morele kompas
Aan het eind van de adolescentie kan de jongere de innerlijke noodzaak ervaren om verantwoordelijk te willen zijn voor de daden die hij in de wereld wil verrichten. De scherpe meningen van de 9e, het gevoelsoordeel van de 10e klas en de vurige overtuigingen van de 11e kunnen plaats maken voor dieper zoeken naar waarheid en zin. Twaalfdeklassers beginnen zichzelf soms echt even opzij te zetten. Zo kunnen ze dieper tot een vraagstuk doordringen. Het oordeel gaat nu minder over ‘Wat vind ik ervan?' en meer over wat waar en goed is en over ‘Wat vraagt dit van míj?’ Het oordeel krijgt daarmee een morele dimensie. Ze zoeken hun eigen weg, met een blik die niet alleen persoonlijk, maar ook moreel en universeel is. Het oordeel is dan volwassen geworden. Het is niet langer ingegeven door emotie of groepsdruk, maar gedragen door innerlijke verantwoordelijkheid. Het oordeel ontwikkelt zich tot een individueel oordeel. Dit wordt ook wel het gewetensoordeel genoemd. In het oordeel liggen zowel het denken en voelen als het willen besloten.

Aan het einde van de 12e klas zijn de leerlingen ongeveer 18 jaar. De ontwikkeling tot volwassenheid duurt ongeveer totdat deze jonge mensen 21 zijn. Het is dus goed je te realiseren dat de ontwikkeling van de oordeelsvorming nog niet uitgerijpt is wanneer de leerling van school gaat. En wat vinden we van ons eigen vermogen om een goed afgewogen oordeel te vellen?

Wat kun je als leraar doen?

  • Geef ruimte voor gesprekken over morele vragen zonder eenduidig antwoord. Bijvoorbeeld in de vorm van een reflectieve dialoog of een socratisch gesprek.
  • Stimuleer perspectiefwisseling en zelfreflectie.
  • Laat zien dat een goed oordeel nooit af is – het blijft zich ontwikkelen.

Het inzicht van een eigen oordeel rijpt [7]

Wanneer we het geheel overzien, zien we de volgende opbouw:
van waarnemen (klas 7)
naar begrijpen (klas 8–9),
naar betekenis geven (klas 10),
naar persoonlijk standpunt (klas 11),
en tenslotte naar verantwoord handelen (klas 12).
Dat is de weg van oordeelsvorming zoals de vrijeschoolpedagogiek die begrijpt: een oefening in mens-wording. Een weg waarop het denken helder wordt, het voelen warm, en de wil vrij.

[1] Bos, L. e.a. (2003). Oordeelsvorming: Een weg naar innerlijke vrijheid. Uitgeverij Stichting Dialoog.
[2] Aeppli, W. (1963). Wesen und Ausbildung der Urteilskraft. Verlag Freies Geistesleben.
[3] Zie bijvoorbeeld de handreikingen in Bos, L. (2016).Oordeelsvorming: De weg naar innerlijke vrijheid. Nearchus. of van Dam, J. (1996). Het zesvoudige pad: basisoefeningen voor spirituele ontwikkeling. Vrij Geestesleven.
[4] Zie ook Ruhaak, M., Van Gelder, M. en Gielen, N. (2025). Het Kompas: voor vrijeschoolonderwijs van nu. Uitgeverij Christofoor. BVS-Schooladvies werkt in haar katernen leerlijnen van bijvoorbeeld burgerschap, digitale geletterdheid en relaties, identiteit, seksualiteit (RIS) ook aan het samen laten gaan van de laatste kerndoelen en het vrijeschoolleerplan.
[5] Dam, van J. (2012). Menskunde, Pedagogie en gemeenschapsvorming. Uitgeverij Pentagon.
[6] Aeppli, W. (1963). Wesen und Ausbildung der Urteilskraft. Verlag Freies Geistesleben.
[7] Uit de Grondsteenspreuk, Novalis College Eindhoven.

Verder lezen

  • Aeppli, W. (1963). Wesen und Ausbildung der Urteilskraft. Verlag Freies Geistesleben.
  • Bos, L. e.a. (2003). Oordeelsvorming: Een weg naar innerlijke vrijheid. Uitgeverij Stichting Dialoog.
  • Dam, van J. (2012). Menskunde, Pedagogie en gemeenschapsvorming. Uitgeverij Pentagon.
  • Huybregts, T. (2002). “De twijfel in het oordeelsproces” in Van Zijl, R. (2002). Pedagogie een kunst een kunde. Uitgeverij Christofoor.
  • Lambrechts, W. en Meyvis, H. (2015). Zeker weten, denken loont. Uitgeverij Via Libra.
  • Mosmuller, M. (2022). Leer Denken! Uitgeverij Occident.
  • Mosmuller, M. (2022). Leer Voelen! Uitgeverij Occident.
  • Mosmuller, M. (2023). Doen! Uitgeverij Occident.
  • Steiner, R. (2014). Menskunde en opvoeding. Uitgever Pentagon.
  • Steiner, R. (1984). Opvoedingsproblemen in de puberteit. Uitgeverij Vrij geestesleven.