Als vrijeschoolleraar heb je veel autonomie, waarbij je ook de verantwoordelijkheid neemt om kinderen zich optimaal te laten ontwikkelen. Door je kennis over de ontwikkelingslijnen, leerstof en kerndoelen kun je de vrijheid nemen om je lessen passend bij de groep kinderen vorm te geven, aan te bieden en bij te stellen.Angelina Broos, directeur van De Strijene in Oosterhout en bestuurslid bij de Vereniging van vrijescholen
Autonomie is een belangrijke bouwsteen van het vrijeschoolonderwijs. Leraren krijgen de ruimte om hun onderwijs af te stemmen op de leerlingen die ze voor zich hebben. Zij sluiten aan bij de ontwikkeling van ieder kind en begeleiden leerlingen op weg naar zelfstandigheid en vrijheid.
Autonomie betekent niet dat leraren zomaar hun eigen gang kunnen gaan. De vrijheid van de leraar staat altijd in relatie tot de pedagogische visie van de school, gezamenlijke afspraken en wettelijke kaders. Wat betekent die professionele ruimte precies en hoe ziet die er in de praktijk uit?
Autonomie is een breed begrip. Hier gaat het specifiek over de professionele ruimte en de zeggenschap die een leraar heeft om onderwijs vorm te geven. De leraar maakt zelf keuzes over de pedagogische en didactische aanpak, de leeractiviteiten en het gebruik van de onderwijsmiddelen.
Die ruimte is niet onbeperkt. Scholen hebben te maken met verschillende kaders: wettelijke voorschriften, afspraken binnen de school en morele uitgangspunten. Zo bepalen landelijke afspraken wat leerlingen moeten leren en op welk niveau zij op een bepaalde leeftijd moeten zijn. Ook zijn sommige zaken verplicht, zoals het bijhouden van een leerlingvolgsysteem.
Binnen die kaders heeft de leraar ruimte om te bepalen hoe en wanneer leerstof wordt aangeboden. Daarbij is afstemming met collega's en de schoolleiding belangrijk. De visie van de school geeft richting en voorkomt dat individuele keuzes los komen te staan van de gezamenlijke opgave.
Veel vrijeschoolleraren geven binnen de geldende kaders zelf invulling aan hun les en lesmateriaal, met of zonder methode.
Ingrid van Vilsteren (docent biologie op het Geert Groote College Amsterdam) werkt met een lesboek, maar neemt de vrijheid om haar lessen af te stemmen op de behoeften van de klas. Ingrid: ‘Na de tweede lange lockdown in 2021 mocht ik de leerlingen eindelijk weer in de les zien. Hoewel het niet helemaal op de planning stond, wilde ik een practicum doen. Na vier weken met de microscoop naar minuscule cellen te hebben gekeken, merkte ik dat de klas behoefte had om eindelijk weer iets samen te doen, buiten en actief. Ik trok daarom een heel ander onderwerp uit de kast: dierengedrag observeren op de kinderboerderij. Normaal gesproken geen onderwerp in de negende klas, maar de situatie na de lockdown vroeg om een andere invulling.’
Onderwijs vraagt voortdurend om afstemming. Een leraar kan vooraf een les voorbereiden, maar weet nooit precies hoe een groep of individuele leerling daarop reageert. Daarom is het belangrijk dat leraren kunnen waarnemen, interpreteren en hun aanpak kunnen aanpassen.
De vrijeschool wil leerlingen begeleiden naar een zelfstandig en volwassen leven. Dat vraagt onderwijs waarin niet alleen kennis en vaardigheden aandacht krijgen, maar ook het willen, voelen en denken van leerlingen. De eigen inbreng van de leraar speelt daarin een belangrijke rol.
Elke leerling is anders en iedere klas ontwikkelt zich op haar eigen manier. Wat voor de ene leerling goed werkt, hoeft bij een andere leerling niet aan te sluiten. Ook kan de behoefte van een klas gedurende het schooljaar veranderen. Daarom werken veel vrijescholen niet met een standaardmethode die precies voorschrijft wat een leraar op welk moment moet doen. Lesboeken kunnen richting en inspiratie bieden, maar geven niet voor iedere situatie een passend antwoord. De leraar kent de leerlingen en kan daardoor beter bepalen wat op dat moment nodig is. Dat vraagt aandacht voor hun achtergrond, interesses, talenten en ontwikkeling.
Niet alleen leerlingen verschillen van elkaar. Ook iedere leraar heeft een eigen persoonlijkheid, ervaring, talenten en manier van werken. Autonomie biedt ruimte om die kwaliteiten bewust in te zetten. De leraar is dus meer dan iemand die kennis overdraagt. Gieneke Spoelstra (teken- en kunstdocent en leraaropleider aan het Geert Groote College Amsterdam): ‘Ik ben een mens en sta in contact met de leerlingen. Ik heb het gevoel dat ik kan bijdragen aan hun identiteitsvorming.’
De manier waarop een leraar lesgeeft, heeft invloed op de relatie met de klas en daarmee op de ontwikkeling van leerlingen. Vanuit vakmanschap, ervaring en betrokkenheid kan de leraar een voorbeeld zijn van wat hij leerlingen wil meegeven: uitgroeien tot autonome mensen die vanuit vertrouwen, vrijheid, authenticiteit en bedachtzaamheid verbonden zijn met zichzelf én met de wereld.
Autonomie vraagt om professionele deskundigheid. Een leraar moet zijn vak kennen, blijven leren en zelfstandig kunnen nadenken over wat in een bepaalde situatie wenselijk is. De centrale vraag is steeds: wat heeft deze leerling, op dit moment en in deze situatie nodig?
Je kunt een autonome leraar vergelijken met een jazzmuzikant. Die improviseert op een bestaand thema, maar blijft binnen de herkenbare kaders van de jazzmuziek. Geen enkel jazzstuk klinkt twee keer hetzelfde, en zo is ook geen enkele les hetzelfde. Een startende leraar leert van collega's, maar geeft er vanzelf zijn eigen draai aan. Net als een jonge muzikant die begint met de bladmuziek en er langzaam zijn eigen stijl in vindt. Lesgeven is, net als muziek maken, niet volledig te plannen achter een bureau. Het gebeurt live, in het contact met de klas. En zoals muzikanten samen spelen, werken ook leraren samen in een team.

Autonomie gaat daarom altijd samen met verantwoordelijkheid. De leraar krijgt als het ware een mandaat van de gemeenschap om bij te dragen aan de opvoeding van kinderen. Maar dat mandaat is geen vrijbrief. Van leraren wordt verwacht dat zij de pedagogische visie van de school uitdragen, binnen de gemaakte afspraken werken en bereid zijn zich te verantwoorden over hun handelen. Professionele autonomie vraagt daarom niet alleen om vrijheid, maar ook vakmanschap en oordeelsvermogen.
Niet elke leerling ontwikkelt zich op dezelfde manier. De ene leerling floreert bij vrij spel, de andere raakt juist overprikkeld zonder duidelijke structuur. Een leraar heeft oog voor die verschillen, ook wanneer het onderwijs grotendeels klassikaal wordt gegeven.
Dat begint met het kennen van de leerlingen: hun achtergrond, interesses en talenten. Door goed te observeren kan de leraar opdrachten aanpassen. De ene leerling krijgt bijvoorbeeld een taak met een duidelijk begin en einde, terwijl een andere leerling juist ruimte krijgt voor een eigen invulling via tekenen, bewegen, muziek of spel.
De professionele ruimte biedt leraren de kans om gebruik te maken van persoonlijke talenten. Een leraar die goed kan tekenen, kan bijvoorbeeld een grote, beeldende bordtekening maken waarmee een periode wordt geïntroduceerd. Zo’n tekening kan gedurende de hele periode blijven staan en steeds verder worden aangevuld. Na een globale voorbereiding met lesdoelen en tussendoelen begint de periode pas echt. De leraar beweegt mee met wat er in de klas ontstaat. Gesprekken en opdrachten kunnen nieuwe inzichten opleveren die vooraf niet te plannen zijn en die de verdere invulling van de periode beïnvloeden.
Dat vraagt soms om improvisatie. Tijdens een topografieles wees een leerling de leraar bijvoorbeeld op Noorderhaaks, een kleine zandplaat bij Texel. De ontdekking maakte de hele klas nieuwsgierig. De leraar besloot daarom de planning aan te passen. De leerlingen gingen thuis verder op onderzoek uit en voegden in hun periodeschrift een extra bladzijde over Noorderhaaks toe.
Zo ontstaat ruimte voor de inbreng van leerlingen zonder het lesdoel uit het oog te verliezen. Soms heeft een klas behoefte aan meer samenwerking, soms juist aan individuele verwerking. De leraar blijft steeds afwegen wat de situatie vraagt.

Reflecteren op het eigen werk is net zo belangrijk als lastig. Een les kan goed voorbereid zijn, maar pas tijdens de uitvoering wordt zichtbaar wat wel en niet werkt. Daarom kijkt een leraar na afloop terug: sloot de voorbereiding aan bij de behoeften van de leerlingen? Waren de gemaakte keuzes passend? Wat zou een volgende keer anders kunnen? Je kunt dit vergelijken met een schilder die regelmatig afstand neemt van zijn werk. Pas vanaf enige afstand ziet hij wat er op het doek is ontstaan. Zo kijkt ook de leraar opnieuw naar zijn les.
Autonoom handelen vraagt daarnaast om een breed handelingsrepertoire en een goed ontwikkeld oordeelsvermogen. Leraren komen dagelijks situaties tegen waarvoor geen standaardantwoord bestaat. Vaak moeten zij kiezen tussen verschillende mogelijkheden of compromissen sluiten, soms ook met de eigen overtuigingen. Door regelmatig te reflecteren en dilemma’s met collega’s te bespreken, ontwikkelen zij hun vermogen om afgewogen keuzes te maken.
Het kan lastig zijn om de eisen van de overheid en de maatschappelijke aandacht voor cijfers en prestaties te combineren met de brede ontwikkeling die de vrijeschool nastreeft. De aandacht kan verschuiven van de vraag wat een leerling nodig heeft naar de vraag wat de leerling voor de school kan betekenen. Bijvoorbeeld door te sturen op hoge examenscores en een hoog slagingspercentage. De leraar wordt dan vooral verantwoordelijk voor resultaten, terwijl zijn pedagogische opdracht naar de achtergrond kan verdwijnen. De druk om toetsscores en examenresultaten te verbeteren kan zo ten koste gaan van de kwaliteit van het onderwijs.[1]
De uitdaging is om de brede ontwikkeling van leerlingen centraal te blijven stellen. Dat vraagt bijvoorbeeld om aandacht voor de ontwikkeling, implementatie, monitoring en bijstelling van leerwegen en vrijeschoolleerplannen. Autonomie geeft leraren ruimte om daar binnen de gezamenlijke kaders vorm aan te geven. In Het kompas, voor vrijeschoolonderwijs van nu van Marijn Ruhaak, Maaike van Gelder - Sikkel en Nienke van Geelen wordt dit onderwerp in hoofdstukken 5 en 16 verder uitgediept.
[1] https://wij-leren.nl/professionele-vrijheid.php , geraadpleegd op 13 juni 2021.
Autonomie krijgt betekenis binnen een schoolgemeenschap. Leraren werken niet los van elkaar, maar binnen een schoolcultuur met eigen regels, gewoontes en doelen. Samenwerking in een team of vakgroep helpt om onderwijsdoelen helder te krijgen. Wanneer leraren gezamenlijk een leerplan maken, weten zij beter welke ruimte er is om in de les eigen keuzes te maken. Heldere doelen maken het bovendien gemakkelijker om in te spelen op wat zij bij leerlingen waarnemen.
Een autonome werkwijze vraagt daarom om een voortdurende dialoog. Die is nodig om te borgen dat de lessen op niveau zijn en dat er op school gebeurt wat nodig is. Leraren bespreken met elkaar doelen, methodes, lesbezoeken en werkverdeling. Ook vergaderingen, intervisie en verdieping in de pedagogische achtergronden van het vrijeschoolonderwijs, zoals de menskunde, dragen daaraan bij. Op die manier versterken autonomie en samenwerking elkaar: de leraar krijgt ruimte voor professionele keuzes, terwijl collega's elkaar helpen om die keuzes te onderzoeken en te verbeteren.
Leraren moeten op de hoogte blijven van ontwikkelingen binnen hun vakgebied en binnen het onderwijs. Workshops, trainingen en studiedagen kunnen daarbij helpen. Scholing kan gaan over het eigen vak, het vrijeschoolonderwijs of nieuwe onderwijsmethoden. Leraren doen nieuwe kennis en vaardigheden op en kunnen die vertalen naar hun eigen lespraktijk.
Voor ervaren leraren kan professionalisering bovendien helpen om niet vast te blijven zitten in routines. Door te blijven leren, kunnen zij hun onderwijs blijven verbinden met actuele ontwikkelingen en met de behoeften van nieuwe generaties leerlingen.
Tot slot spelen ook schoolleiders een belangrijke rol. Leraren hebben tijd en ruimte nodig om eigen keuzes te maken, en het helpt als zij kunnen meepraten over het beleid van de school. Tegelijk is het aan schoolleiders om heldere kaders te stellen. Te veel vrijheid zonder duidelijke richting kan namelijk ook verlammend werken. Daarom worden visie, missie en doelen het best samen met leraren bepaald. Een gedeelde visie geeft een team samenhang en zorgt dat de neuzen dezelfde kant op staan. Wanneer het dagelijkse werk voortkomt uit een visie die gezamenlijk is bepaald, kunnen leraren hun brede taak met meer bevlogenheid en veerkracht uitvoeren.