Opvoeden in de 21e eeuw betekent ook digitaal opvoeden, leren omgaan met gereedschap betekent ook leren omgaan met digitaal gereedschap.Christian Boettger, directeur van de Bund der Freien Waldorfschulen en Pädagogischen Forschungsstelle
Online media zijn niet meer weg te denken uit de samenleving. Een kind dat opgroeit in de 21ste eeuw zal vroeg of laat beeldschermen, digitale middelen en media tegenkomen. Het speelt, leert en ontspant ook in een digitale wereld en raakt steeds meer omringd door schermen en apparaten. In de digitale wereld vindt het informatie, laat het zich prikkelen en aan het denken zetten. Het kind staat in verbinding met anderen en vindt er ontspanning.
Media kunnen echter ook een bron van onrust vormen en zelfs verslavend werken. Niet voor niets gelden er sinds 2024 kerndoelen voor digitale geletterdheid.[1] Als een kind zich deels in een digitale samenleving ontwikkelt, is het zaak deze ontwikkeling in goede banen te leiden. Dit nieuwe ontwikkelingsvraagstuk klinkt ook door op de vrijeschool. Hoe kunnen wij kinderen voorbereiden op een digitale samenleving? En vooral: hoe blijven we daarbij trouw aan de pedagogische uitgangspunten van de vrijeschool? Dit zijn actuele vragen.
Alle scholen, ook vrijescholen, moeten digitale geletterdheid een plek geven in het curriculum. Bijvoorbeeld door te zorgen dat leerlingen kennis hebben van digitale technologie en digitale media en beschikken over vaardigheden om deze te gebruiken. Ook moet er aandacht zijn voor de wisselwerking tussen digitale technologie, digitale media, de mens en de samenleving. Het gaat er daarbij om dat leerlingen het vermogen ontwikkelen om zich als individu aan te passen aan de digitale wereld en hierover controle te hebben.
Voor vrijescholen kan deze opdracht best een uitdaging zijn. Het vrijeschoolonderwijs is namelijk in de basis gericht op de ontwikkeling van de wil, de fantasie en een scheppend denkvermogen. Daarvoor is het cruciaal dat kinderen contact maken met elkaar en met de tastbare wereld. Dat ze zich kunstzinnig leren uitdrukken met natuurlijke materialen. In alle jaarlagen hechten vrijescholen daarom veel waarde aan de directe, zintuiglijke ervaring van de wereld. Kinderen leren door te ervaren, te doen, en te voelen. Zeker bij jonge kinderen waar de focus ligt op het ontwikkelen van het lichaam, de zintuigen en de motoriek is dit directe contact met de tastbare wereld belangrijk. Zij leren immers door nabootsing van de wereld en van anderen. Leraren vertellen verhalen die hun verbeeldingskracht prikkelen en leren over goed en kwaad, respect en doorzettingsvermogen. Bovendien draagt het werken met echte materialen bij aan de ontwikkelingen van de grove en fijne motoriek en de impulsbeheersing.
Ook in latere jaren en op de middelbare school neemt de ontmoeting met de fysieke wereld een belangrijke plaats in. Door zelf te maken, te bouwen en samen te werken met klasgenoten leren leerlingen zich te verhouden tot zichzelf, de wereld en anderen. De gedachte is dat het werken met echte materialen zoals hout en klei bijdraagt aan de ontwikkeling van de wilskracht en kunstzinnige vorming.
Met dit in het achterhoofd is het niet gek dat veel vrijescholen terughoudend zijn in het toelaten van digitale middelen en media. Want media hebben invloed op al deze gebieden. Niet alleen kan veelvuldig beeldschermgebruik de fysieke en motorische ontwikkeling van kinderen belemmeren. Ook de ontwikkeling van taal, zintuigen en concentratie loopt een risico.[2] Daarnaast bestaan er zorgen over de invloed van digitale media op de creatieve, sociale en emotionele ontwikkeling van leerlingen. Zijn games en filmpjes niet de vijand van de fantasie en zijn sociale media een bedreiging voor menselijk contact? Het zijn zorgen die niet alleen binnen de vrijeschool klinken. De risico’s van de toenemende technologisering zijn een belangrijk onderwerp van een breed maatschappelijk debat.
Ruim honderd jaar geleden waarschuwde Steiner al voor de ontmenselijkende invloed van technologie. Maar hij benadrukte ook dat de mens zich niet moet afsluiten voor de moderne wereld. Deze neiging zou volgens hem alleen maar van ‘spirituele lafheid’ getuigen (Steiner, 1914). De uitdaging is om leerlingen zowel te beschermen als weerbaar te maken tegenover technologie. Het doel van de vrijeschool is immers om leerlingen op te leiden tot sterke, zelfbewuste, authentieke individuen die in vrijheid hun plek kunnen vinden in de samenleving.
Het onderwijs wil bij jonge mensen interesse en enthousiasme wekken voor de wereld, zodat ze zich verbonden voelen met hun omgeving en van daaruit verantwoordelijkheid kunnen en willen dragen en een bijdrage willen leveren aan de samenleving.[3] Dit wordt ook wel de ik-ontwikkeling genoemd.
[3] Vereniging voor Vrijescholen, z.d.
In de 21ste eeuw vindt deze ik-ontwikkeling plaats binnen een digitale samenleving en in een digitale wereld. Het betekent dat leerlingen moeten leren hoe zij in vrijheid en op een mensgerichte, creatieve manier kunnen werken met digitale middelen. Daarnaast moeten zij net als in een uitsluitend fysieke wereld ontdekken wie zij zijn. Hoe ga ik in vrijheid en met verantwoordelijkheid om met deze wereld? Hoe verhoud ik mij tot vrienden, influencers en anderen die ik online tegenkom? Hoe ga ik kritisch en bewust om met de stroom aan informatie die op mij afkomt? In de digitale wereld kan een leerling een heel ander ik (of zelfs ikken) presenteren dan offline. Dit geeft vrijheid om te experimenteren met identiteit.
Daarnaast kunnen sociale media ook een negatieve invloed hebben. Van onzekerheid over het eigen uiterlijk tot het klakkeloos geloven van influencers die allerlei middeltjes aanprijzen. Apps en games worden zo gebouwd dat ze het ‘ik’ voortdurend verleiden om langer online te blijven. Zelfregulering, of autonoom gebruik van digitale middelen, is daardoor nóg moeilijker voor het tienerbrein.[4]
Kortom: Aan de ene kant is er een legitieme neiging om kinderen te beschermen tegen de effecten van digitale technologie en media. Aan de andere kant hebben opvoeders de verantwoordelijkheid om kinderen weerbaarheid, enthousiasme, nieuwsgierigheid en daadkracht voor te leven, ook of juist wat betreft technologie en het moderne digitale leven. Het gaat erom met inzicht te handelen: te weten wanneer het als opvoeder nodig is om beschermend te zijn en vanaf welke leeftijd hij kan beginnen om samen met de leerlingen bepaalde gebieden te verkennen.
[4] Naar: Zwanenberg, F. Eindverslag digitale geletterdheid Adriaan Roland Holst(2024).
De vrijeschool wil bijdragen aan de brede ontwikkeling van leerlingen. Dit houdt in dat vrijescholen zich niet alleen richten op kennisoverdracht en het behalen van doelen en meetbare resultaten (kwalificatie). Het onderwijs moet ook helpen om goed geïntegreerd deel te nemen aan de samenleving (socialisatie) en bijdragen aan de persoonlijke ontwikkeling van leerlingen (subjectificatie).
Hoe vertaalt dit zich tot digitale geletterdheid?
[6] BVS-schooladvies (2024), Wat je moet weten over de digitale wereld.
Om de zojuist beschreven brede ontwikkeling van leerlingen te begeleiden, richt het vrijeschoolonderwijs zich op een evenwichtige ontwikkeling van een helder denkvermogen (hoofd), een evenwichtig gevoelsleven (hart) en wilskrachtig handelen (handen). Hoe kan het denken, voelen en willen bij onderwijs in digitale geletterdheid worden aangesproken?
De ontwikkeling van het denken vraagt om het verwerven van kennis en begrip van de digitale wereld en digitale gereedschappen. Het verwerven van basale digitale kennis en vaardigheden en het leren gebruiken van digitale tools. Het doel: het ontwikkelen van een kritisch denkvermogen waarmee leerlingen digitale informatie en beelden op waarde kunnen schatten. Weten wat echt en nep is zodat zij zelf betekenis en richting kunnen geven aan hun online leven.
Voelen gaat over de emotionele verhouding van het ik tot de digitale wereld. Wie ben ik en hoe presenteer ik mij in een digitale omgeving? De emoties van leerlingen worden in de digitale wereld sterk beïnvloed door hun online ervaringen en de beelden die ze tegenkomen. Sociale media en online platforms vormen een veilige plek om met gedachten en gevoelens te experimenteren. Ze kunnen gevoelens van sociale verbondenheid versterken terwijl ze in andere gevallen juist tot somberheid en negatieve gevoelens leiden. Bovendien hebben digitale media, in tegenstelling tot een boek, vaak ingebouwde versterkingsmechanismen waardoor zelfs jonge kinderen het scherm steeds meer willen gebruiken. Het ontwikkelen van een gezond gevoelsleven gaat hand in hand met gesprekken over persoonlijk mediagebruik, de digitale identiteit en reflectie op het eigen mediagebruik.
Willen betekent dat je digitale middelen kunt inzetten om problemen op te lossen, kunst te maken of een project op te zetten. Wilskrachtig handelen betekent in de digitale wereld dat je bewust en doelgericht omgaat met technologie. Het vraagt om het stellen van duidelijke grenzen en prioriteiten. Zo leren leerlingen digitale middelen in te zetten om doelen te bereiken, iets te organiseren of te maken in plaats van afgeleid te raken door passieve activiteiten.
AI, artificiële intelligentie, is technologie die systemen in staat stelt om taken uit te voeren die normaal menselijke intelligentie vereisen. Het kan een handig hulpmiddel zijn voor leraren en leerlingen. Zo kan AI leerlingen helpen een tekst te structureren of snel toegang tot kennis te krijgen. Tegelijkertijd is het risico dat gebruik van AI leerlingen remt in hun ontwikkeling tot zelfstandige en creatieve denkers. ‘Wanneer zij hun werk via een AI laten uitvoeren, missen ze de kans om cruciale vaardigheden te ontwikkelen, zoals kritisch denken en het vormen van een eigen mening.’ Scholen zullen na moeten denken over hoe zij AI op een bewuste en kritische manier inzetten, waarbij technologie een ondersteunende rol speelt in het leerproces en niet het doel op zich wordt. ‘We moeten ons steeds afvragen of de inzet van AI past bij onze pedagogische doelen. Het onderwijs draait immers niet alleen om het overdragen van kennis, maar vooral om de ontwikkeling van leerlingen als zelfstandige denkers. Dit vraagt om een bewuste pedagogische aanpak, waarbij de mens centraal blijft staan. De rol van de docent als iemand die leerlingen helpt om autonoom te denken, is belangrijker dan ooit.’[7]
[7]https://nivoz.nl/de-nood-voor-een-pedagogisch-baken-in-technologische-stormen/
Hoe kunnen leraren trouw blijven aan de waarden van de vrijeschool en leerlingen tegelijkertijd wereldwijs maken in de gedigitaliseerde samenleving? In deze paragraaf staan allereerst algemene handvatten. Vervolgens wordt toegelicht wat digitale geletterdheid betekent voor leraren in de kleuterklas, op de basisschool en de middelbare school. Tot slot wordt er stilgestaan bij de rol van scholen.
Goed onderwijs valt of staat bij de kennis en ervaring van de leraar. Je leert nu eenmaal niet koken van iemand die zelf nog nooit een gerecht heeft bereid. Dat geldt voor onderwijs in digitale vaardigheden ook. Sommige leraren hebben veel kennis over online media: zij zijn digitaal vaardig en weten welke invloed de digitale media hebben op de persoonsvorming. Voor andere leraren valt er nog veel te ontdekken. Voldoende kennis van de digitale wereld is essentieel voor goed onderwijs over dit onderwerp. Kennis van de mogelijkheden van ict, maar ook ervaringskennis van de digitale wereld waarin leerlingen zich begeven. Deze kennis kunnen leraren opdoen door zich te verdiepen in de achtergronden bij dit leerdomein. Bijvoorbeeld met de handvatten die SLO biedt of het speciale katern dat BVS-schooladvies ontwikkelde voor de vrije basisschool.
Daarnaast kunnen leraren de digitale wereld ook zelf actief gaan ontdekken. Wat is er zo leuk en ook verslavend aan games? Wat gebeurt er op sociale media en wat kun je zelf creëren met AI? Leraren die bekend zijn met de digitale middelen en de online wereld kunnen leerlingen helpen om beter te begrijpen hoe online media hen beïnvloeden en hoe ze daar veilig en verantwoordelijk mee om kunnen gaan. Daarbij is het goed om te bedenken dat leraren een voorbeeldfunctie vervullen. Niet alleen in het beheersen van instrumentele ict-vaardigheden, maar juist ook voor het uitdragen van digitale etiquette en omgangsvormen.[8]
[8] Demaret, N., Kessel, M., van, Rooyen, L., van, (2021). Rapport praktijkonderzoek Digitale Geletterdheid in het primair en voortgezet onderwijs.
Op de vrijeschool zijn de lessen niet alleen afgestemd op de ontwikkelingsfases. Er moet ook een goede balans zijn tussen denken, voelen en willen. De kunst is om lessen te ontwerpen waarin al deze gebieden worden aangesproken. Hoe maken leraren in een les mediawijsheid plaats voor kritisch denken, emotionele reflectie en actief handelen?

HERMMES is een Europees project dat vrijescholen helpt om kinderen en jongeren op een gezonde, bewuste en leeftijdsadequate manier te leren omgaan met digitale media en technologie. Ouders, leraren en onderzoekers werken samen aan lesmateriaal en een curriculum voor mediawijsheid, dat momenteel naar het Nederlands wordt vertaald en gekoppeld aan de Nederlandse kerndoelen.
Lees hier meer over het project.
Een voorbeeld voor de bovenbouw is een les die start met een klassikale discussie over hoe sociale media het zelfbeeld kunnen beïnvloeden, waarbij de inhoud en pedagogische benadering uiteraard afhangen van de leeftijd en ontwikkelingsfase van de leerlingen. Oudere leerlingen lezen bijvoorbeeld eerst onderzoeken over hoe afbeeldingen en video’s gemanipuleerd worden. Dan staan zij stil bij de authenticiteit van wat zij voorbij zien komen op sociale media.
Vervolgens krijgen de leerlingen een opdracht om na te denken over hun eigen ervaringen. Hoe voelen ze zich wanneer ze naar bepaalde accounts kijken? En kunnen ze dit gevoel uitdrukken? Dit kan bijvoorbeeld in een persoonlijk essay voor Nederlands, een toneelscène voor toneel of een kunstwerk voor een kunstvak. Maar ook klassenuur, vakken als maatschappijleer en periodes lenen zich goed voor dit thema.
Tot slot maken leerlingen een positieve sociale media-campagne. Ze ontwerpen bijvoorbeeld samen posts die authentiek en eerlijk zijn. Het doel? Anderen een realistisch en ondersteunend beeld geven van zelfbeeld en identiteit. Door zelf iets te creëren en te delen, brengen leerlingen hun inzichten in de praktijk. Ze hebben nu hun denken, voelen en willen aangesproken.
Directe digitale geletterdheid houdt in dat leerlingen expliciet les krijgen in digitale vaardigheden en mediawijsheid. Hierbij ligt de focus op het rechtstreeks aanleren van digitale kennis en vaardigheden die kinderen nodig hebben om zich zelfstandig en veilig in de digitale wereld te kunnen bewegen.
Bij indirecte geletterdheid gaat de lesstof niet expliciet over digitale geletterdheid en werken leerlingen zonder digitale middelen. Leerlingen oefenen vaardigheden die een (noodzakelijk) fundament vormen voor kennis over de digitale wereld en digitale vaardigheden. Het doel is om een sterke basis voor mediawijsheid en digitaal bewustzijn op te bouwen wanneer leerlingen uiteindelijk wel met digitale media werken.
Beide vormen zijn in eerste instantie ook analoog te oefenen. Denk aan een klassengesprek over digitale privacy is. Het gaat dan expliciet over de digitale wereld (directe digitale geletterdheid) zonder dat het nodig is om met digitale middelen te werken. [9]
Ook informatievaardigheden kunnen leerlingen op verschillende manieren oefenen. Zij kunnen achter een computer een opdracht maken waarin zij bronnen moeten zoeken en de betrouwbaarheid van deze bronnen moeten evalueren. Op dat moment wordt vooral hun denken aangesproken. Maar wat als informatievaardigheden onderdak krijgen bij een grotere opdracht? Denk in de hogere klassen van de basisschool aan een opdracht over maatschappelijke of ethische kwesties zoals discriminatie of het gebruik van plastic.
In de bovenbouw kan het gaan over klimaatverandering of sociale rechtvaardigheid. Ook nu moeten leerlingen verschillende bronnen zoeken en beoordelen. Maar vervolgens verbinden zij hun gevoelens over deze onderwerpen met hun onderzoek. Hoe zien zij de wereld over twintig jaar en welke rol spelen zij in een stad of dorp van de toekomst? Hierover zijn goede klassengesprekken te voeren. Gewoon offline, van mens tot mens.
Vervolgens kunnen de leerlingen hun bevindingen presenteren in de vorm van een essay, presentatie of creatieve productie. Handig, want zo krijgen zij direct de ict-basisvaardigheden onder de knie. Al hoeven niet alle kerndoelen in één project te worden gestopt. Een analoge kunstzinnige verwerking kan natuurlijk ook.
Hoe geef je kunstzinnig mediaonderwijs? Het helpt om digitale geletterdheid te integreren in het bestaande curriculum. Dat kan bij vakken zoals tekenen, muziek en drama. Maar ook bij de zaak- en bètavakken kunnen leraren op kunstzinnige wijze met het onderwerp aan de slag. Een TikTok-filmpje is voor de meeste leerlingen geen hogere wiskunde. Met filters spelen evenmin. Maar hoe kunnen zij zich kunstzinnig uiten met digitale tekenprogramma’s, video-editing tools en muzieksoftware?
Bijvoorbeeld: in de onderbouw kunnen kinderen met het maken van een stopmotionfilmpje hun verbeelding en hun boodschap op kunstzinnige én digitale wijze tot uiting brengen. In een traditionele natuurkundeles over geluidsgolven in de bovenbouw kunnen leerlingen zelf geluidsgolven en muziek programmeren met een digitale synthesizer. Zo maken zij zich niet alleen de natuurkundige wetten eigen, maar ontwikkelen zij ook hun eigen verbeelding en kunstzinnige expressie.
Leerlingen op de vrijeschool presenteren heel wat af gedurende hun schooltijd. Vaak gebeurt dat met een poster, Prezi of PowerPoint. Hier is winst te behalen. Welke visuele en verhalende elementen kunnen zij inzetten om complexe wetenschappelijke onderwerpen op een begrijpelijke en kunstzinnige manier uit te leggen? Denk aan een interactieve presentatie, animatie of video over klimaatverandering, literatuurgeschiedenis of de evolutietheorie. Het voordeel van een digitale storytelling-opdracht is dat leerlingen hun eigen stem en gevoel kunnen verbinden aan het onderwerp. Zo maken zij op een kunstzinnige wijze kennis met digitale tools wat hen voorbereidt op een toekomst waarin technologie een centrale rol speelt.
Kortom: het is niet nodig om digitale vaardigheden als aparte les in het rooster op te nemen. Leraren kunnen vasthouden aan het bestaande curriculum. Door de vaardigheden onderdeel te maken van een uitwerkingsopdracht, werkstuk of presentatie, is de ontwikkeling van digitale vaardigheden goed te verbinden met kunstzinnig onderwijs.
In 2024 publiceerde BVS een speciaal katern dat leraren in het basisonderwijs helpt onderwijs in digitale geletterdheid vorm te geven. De hier genoemde handvatten voor het basisonderwijs zijn hier (deels) op gebaseerd.
De meeste vrijescholen kiezen ervoor om kinderen tot en met de derde klas op een analoge manier voor te bereiden op het werken met digitale middelen en de omgang met online media. Jonge kinderen zijn nog druk bezig om hun lichaam en de wereld om hen heen te ontdekken. In deze levensfase is het belangrijk dat kinderen zich via hun zintuigen en motoriek bewust worden van zichzelf en hun omgeving.
De zintuigen spelen een essentiële rol in het leren kennen van het eigen lichaam en het ontwikkelen van een basisgevoel van veiligheid en zelfvertrouwen. Hoe meer zintuigen het kind gebruikt, hoe sterker het zich hecht aan de wereld en hoe beter het een eigen innerlijk wereldbeeld vormt. Via spelen ontdekt het kind de wereld. Echte, fysieke ervaringen zijn cruciaal, omdat ze helpen bij het opbouwen van een gezond zelfbeeld en een goed begrip van de wereld, van privacy en van veiligheid.
Daarnaast spreekt een kind de fantasie aan wanneer het de innerlijke beelden die het heeft opgebouwd, gebruikt in zijn spel. Door te fantaseren leert het kind problemen op creatieve wijze op te oplossen en zich in anderen te verplaatsen, vaardigheden die later in het leven van pas komen. Fantasiespel vormt zo een brug tussen de zintuiglijke ervaring en de groei van verbeeldingskracht.
In de kleuterklassen experimenteren we met techniek. Kleuters maken bijvoorbeeld een draaikolk in een waterfles of een regenboog met een prisma. Dit draagt bij aan de ontwikkeling van ontluikende digitale geletterdheid. Hierbij gaat het bij kleuters om verwonderen, ontdekken en ervaren.Maarten Sonnema, kleuterleerkracht vrijeschool De Driestroom

Indirecte digitale geletterdheid
Leraren kunnen kinderen wél voorbereiden op de digitale wereld. Ook zonder digitale middelen kunnen leerlingen vaardigheden ontwikkelen die een (noodzakelijk) fundament leggen voor kennis over de digitale wereld en digitale vaardigheden. Dit wordt ook wel indirecte digitale geletterdheid genoemd.[10]
Zo zijn er in de kleuterklas veel activiteiten waarmee kinderen vaardigheden ontwikkelen die zij nodig hebben om later digitale technologie te ontwerpen en te programmeren. Wanneer een kleuter bijvoorbeeld een knikkerbaan in elkaar zet en de knikker 'doet' wat het kind wil, dan is de kleuter in feite aan het programmeren. Maar ook andere kleuteractiviteten zoals het leggen van een puzzel of het werken met een kralenplank vormen een basis voor ontwerpen en programmeren.
Iets oudere kinderen kunnen zonder digitale middelen leren om onderscheid te maken tussen juiste informatie en desinformatie, een vaardigheid die zij later in de digitale wereld nodig zullen hebben. Leraren plaatsen bijvoorbeeld een gek, onbekend voorwerp in de klas. Vier kinderen mogen bedenken wat het is en krijgen de opdracht de andere kinderen hier op een zo overtuigend mogelijke manier over te vertellen. Eén kind weet wat het voorwerp werkelijk is en vertelt de waarheid. Kunnen de klasgenoten raden wie de waarheid vertelt? Ook een kookopdracht, waarbij de leerling de stappen van een recept en de bereiding exact moet volgen, ontwikkelt een vaardigheid die goed van pas komt bij programmeren.
In de derde klas vertellen we de kinderen over het ontstaan van het schrift. Vanuit het spijkerschrift naar het monnikenwerk en de boekdrukkunst. [...] In al deze vormen bepalen enkelen wát er geschreven of gedrukt werd, maar werd de doelgroep steeds groter. Tegenwoordig kan iedereen voor iedereen publiceren. Dit vervolg op de boekdrukkunst willen we in de zesde klas aankaarten in de periode 'Digitale wereld'.Leraar klas 3 Vrijeschool Widar, Delft
Veel vrijescholen kiezen ervoor om in de vierde klas te starten met het onderwijs rondom computers en digitale media. Eerst leren de leerlingen werken met computers, de ordening op een computer en de werking van basale programma’s en apps. Met behulp van digitale gereedschappen kunnen leerlingen beginnen met het creëren van media, zoals een video of een hoorspel. Voor het maken van werkstukken kunnen zij leren om online informatie op te zoeken. Ze kunnen nu ook oefenen met het maken van een basale digitale presentatie. Leraren kunnen hierbij aansluiten bij bijvoorbeeld zaakvakperiodes. Denk aan grafieken die weergeven welke slakken het meeste eten (klas 4, dierkunde) weersvoorspellingen en regenval (klas 5, aardrijkskunde) groeicurves van de bonenplantjes (klas 5, plantkunde), data uit landkaarten (klas 6, landen van de wereld), enz.
Ai-systemen
Het begrijpen van AI-systemen is pas mogelijk nadat leerlingen begrijpen hoe een computer werkt. Het is voorstelbaar dat leerlingen in klas 5 en 6 leren over de werking van algoritmes (een wiskundige formule die bepaalt hoe een website of apparaat moet werken) en over de basis van generatieve AI. In klassengesprekken kan het gaan over de impact van AI op mens en wereld zodat er een basis wordt gelegd voor een menselijke, bezielde omgang met AI-systemen. Maar denk ook aan opdrachten waarbij leerlingen zelf ervaren wat de verschillen zijn tussen een zelfgemaakte tekening en een door AI gegenereerd beeld. Hoe maakt een machine zo’n kunstwerk en kan het de menselijke kunst vervangen?
Privacy en veiligheid
Nu leerlingen meer te maken krijgen met online media, worden ook de onderwerpen online privacy en veilig mediagebruik relevant. Leraren kunnen leerlingen nu leren hoe je je veilig door de digitale wereld begeeft en hoe je je privacy en die van anderen kunt beschermen. Waarom is het onverstandig weg te lopen van de computer als er nog software open staat? En waarom moet je niet zomaar iets downloaden of deelnemen aan spelletjes en quizzen? Dat zijn vragen die vanaf de vierde klas steeds belangrijker worden. Leraren kunnen leerlingen leren om wachtwoorden te maken en te gebruiken.
Daarnaast is het belangrijk dat leerlingen leren wat ze kunnen doen bij ongewenste interacties. Daarbij is het goed als ze leren dat ze naar hun ouders of andere volwassenen kunnen gaan als ze iets naars hebben gezien. Ook denken ze na over wat ze zelf (online) wel of niet te laten zien van zichzelf, wat ze wel of niet aan vreemde mensen vertellen of in een vriendenboekje schrijven en waarom je voorzichtig bent met het delen van adresgegevens. Leraren kunnen voordoen, bijvoorbeeld op een digibord, hoe je de computer veilig opent en afsluit, hoe je dingen opzoekt, vertellen én laten zien welke sporen je nalaat en hoe je die kunt wissen enz. In gesprekken wisselen leerlingen gedachten uit. Ze maken schrijf-en rekenopdrachten met als onderwerp het breken van codes.
Verantwoord mediagebruik
Ook kan vanaf de vierde klas in toenemende mate aandacht besteed worden aan fysiek en mentaal gezond mediagebruik. Leerlingen leren wat respectvol en verantwoord gedrag is in de digitale wereld, en ze leren reflecteren op hoe zij zich online presenteren. Leraren kunnen met leerlingen spreken over de mechanismen van media die hen verleiden om steeds verder te kijken, te klikken of te spelen, op de telefoon of tijdens het gamen. Ook kan het gaan over de wederzijdse invloed van de mens en de samenleving op de ontwikkeling van digitale technologie en media.
Op de middelbare school hebben leerlingen zo goed als allemaal een smartphone. Voor het maken van schoolwerk is het internet de eerste informatiebron. Vaak wordt gedacht dat kinderen vanzelf digitaal vaardig worden. Ze maken immers veel gebruik van de digitale technologie en weten hun weg online beter te vinden dan hun opvoeders. Schijn bedriegt. Jongeren zijn misschien wel vaardig in het bedienen van apparaten als tablets en smartphones, maar zijn zich vaak niet bewust van de werking, mogelijkheden, beperkingen en risico's van de technologie. School kan hierin een gidsende en soms zelfs sturende rol vervullen.[11]
In 2024 deed Freek Zwanenberg voor het Adriaan Roland Holst College onderzoek naar digitale geletterdheid. De handvatten voor klassen 7,8 en 9 zijn op zijn bevindingen gebaseerd.
Een zevendeklasser is meestal vaardig in het gebruik van de eigen sociale media-apps en games. Maar als het gaat om volwassen gebruik van digitale middelen, bijvoorbeeld om later te studeren of te werken, moet dit kind eigenlijk nog alles leren: tekstverwerking, presentaties maken, online informatie zoeken, programmeren. Ook is aandacht nodig voor een ethisch/moreel verantwoord gebruik van sociale media en games. Bijvoorbeeld anderen online met respect behandelen, op de hoogte zijn van de regels en je kunnen inleven in anderen. Het persoonlijke mediagebruik en dat van medeleerlingen staat centraal. Klassengesprekken over de invloed van sociale media op het persoonlijke niveau (ik en de ander) zijn zinvol.
Gezond mediagebruik
Aan de ene kant wordt de achtsteklasser al wat mediawijzer door alle eigen online ervaringen. Aan de andere kant blijft de noodzaak bestaan om zowel digitale basisvaardigheden als gesprekken over gezond en bewust mediagebruik te blijven aanbieden. Aandacht voor kunstzinnig gebruik van digitale middelen is eveneens belangrijk. Langzaam verschuift het gesprek van‘ik en de ander’ naar ‘ik en de wereld’. En wordt de invloed van digitalisering van het leven en de maatschappij verkend. De autoriteit van de leraar op dit vlak wordt minder erkend door de achtsteklasser. Dit vergroot de noodzaak om meer als gespreksleider dan als expert te fungeren, en zo de leerlingen te leren reflecteren op hun eigen mediagebruik. Online gedoe wordt het beste opgelost door heldere ‘online schoolregels’ die consequent gehandhaafd worden.
Complexe digitale projecten
In de negende en tiende klas gaan leerlingen op zoek naar gedachten en gevoelens achter de feiten. Leerlingen kunnen inmiddels complexe digitale projecten aan waarin ze meer zelfstandigheid en verantwoordelijkheid tonen. Maar naast het leren van technische vaardigheden kan nu ook aandacht worden besteed aan de ethische implicaties van technologie. Hoe beïnvloedt technologie de samenleving? Wat zijn de voor- en nadelen van kunstmatige intelligentie, sociale media en big data?
Digitale geletterdheid zonder digitale middelen
Ook op de middelbare school kunnen leraren digitale geletterdheid onderwijzen zonder direct de schermen tevoorschijn te halen. Hoewel digitale middelen vaak als gereedschap dienen, lenen sommige onderwerpen zich juist voor een les zonder digitale apparaten. Denk aan lessen over de ethische kant van mediagebruik. Een belangrijk onderwerp voor een gezonde sociale en morele vorming.
Om na te denken over de invloed van sociale media, online communicatie en de invloed van digitale technologie is een apparaat vaak niet nodig. Sterker nog: voor een eindwerkstuk over dit onderwerp besloot een leerling uit de elfde klas van het Geert Groote College een maand lang schermloos te leven. Dat scherm kwam pas tevoorschijn voor een enquête onder haar leeftijdsgenoten. Dat zij geen zin hadden om een papieren formulier in te vullen, bevestigde haar hypothese over de toenemende afhankelijkheid van digitale middelen.
Hoe dan ook, het thema mediawijsheid kan prima in een analoge omgeving plaats krijgen. Bijvoorbeeld in een:
Existentieel oordeelsvermogen
Tot slot draait het in de hoogste klassen om het existentieel oordeelsvermogen. Leerlingen ontwikkelen abstract denkvermogen en een gevoel voor idealen en wereldproblemen. Ze zijn toe aan verdieping: zowel op het gebied vantechnische vaardigheden, als ook de reflectieve en ethische kant van technologie. Vragen die aan bod kunnen komen zijn bijvoorbeeld: kunnen we werkelijk vrij zijn in een wereld waarin technologie ons handelen steeds meer volgt en beïnvloedt? Hoe verhoudt vrijheid zich tot privacy in de digitale wereld? Of: Hoe kunnen we een balans vinden tussen het gebruik van technologie om het leven te verbeteren en de risico's dat het de menselijke ervaring vervangt of vermindert?
Persoonsvorming & AI
De vrijeschool leidt leerlingen op tot zelfbewuste individuen die in vrijheid hun plek kunnen vinden in de samenleving. Dit vraagt om de ontwikkeling van een kritisch denkvermogen. In de digitale wereld is het vermogen om de waarde van informatie en beelden in te schatten belangrijker dan ooit. Bij bijna alle vakken krijgen leerlingen vroeg of laat te maken met digitale informatiebronnen. Ze gebruiken social media als zoekmachine voor een bronnenonderzoek of schakelen AI bij het maken van een werkstuk. Voor leraren betekent dit dat zij leerlingen kunnen helpen om bewust om te gaan met online bronnen. Welke bronnen zijn voor het vak betrouwbaar en hoe kom je daarachter? Hoe weet je of informatie van ChatGPT klopt en hoe zie je aan een foto van een biologisch verschijnsel of het om een authentiek beeld gaat? Leraren kunnen leerlingen helpen door het zoeken, selecteren en evalueren van informatie te begeleiden. Door het zoeken te modelleren op het smartboard bijvoorbeeld. Bespreek wat er mis kan gaan wanneer onbetrouwbare informatie verspreid wordt. En leg uit wie daar baat bij hebben en hoe dat in zijn werk gaat. Gewapend met een kritische blik, ontwikkelen leerlingen zich ook in de digitale wereld tot zelfstandige volwassenen.
Digitale geletterdheid een plek geven in het curriculum is een gezamenlijke opgave, alle leraren hebben er immers mee te maken. Schoolbesturen spelen een belangrijke rol bij de implementatie van dit leerdomein. Zij moeten niet alleen de middelen, de ict-infrastructuur, faciliteren. Ook zijn zij verantwoordelijk voor het vormgeven van het beleid en de visie op onderwijs, inclusief digitale geletterdheid. Het formuleren van zo’n visie is belangrijk. Het voorkomt dat digitale geletterdheid fragmentarisch of inconsistent wordt opgepakt in verschillende vakken of leerjaren. Ook laat het ouders zien wat de school aanbiedt en hoe het omgaat met digitale middelen en media.
Het is zinvol om als school de visie op digitale geletterdheid te bespreken.Welke waarden vindt het team belangrijk als het gaat om digitale geletterdheid op de vrijeschool? Hoe kan dit leerdomein aansluiten bij onderwijs met hoofd, hart en handen? Op welke plek in het curriculum kan er aandacht aan worden besteed? En: wat is de visie op het gebruik van apparaten (smartphones, tablets, computers et cetera) en AI? Een succesvolle implementatie van digitale geletterdheid staat of valt bij kennis en een eigen visie die breed wordt gedragen door het team.
Werken met digitale media is iets anders dan lesgeven in en over de digitale wereld. Cursussen en (na)scholing kunnen helpen om leraren kennis en handvatten te bieden. Scholen kunnen ook kiezen om te werken met een specialist digitale geletterdheid. De specialist werkt enkele uren per week aan de visie, leerlijn en lessen. Deze specialist ondersteunt collega's en agendeert digitale geletterdheid in vergaderingen. Ook blijft hij op de hoogte van digitale trends en impact. Dat laatste is belangrijk. De technologie verandert snel, dus de aanpak voor digitale geletterdheid moet flexibel en aanpasbaar blijven. Het is zinvol om regelmatig te evalueren of de implementatie van digitale geletterdheid in lijn blijft met de waarden van de vrijeschool en voldoet aan de behoeften van de leerlingen.
Een heldere visie is het startpunt voor de verdere ontwikkeling van een leerlijn. Schoolteams kunnen, al dan niet geholpen door een specialist digitale geletterdheid, samen aan de slag. Ook kunnen (aspirant-)leden terecht bij het Webdossier op het Intranet van de Vereniging van Vrijescholen. Ook het HERMMES-materiaal gebruiken om lessen en een eigen curriculum rond media-educatie te ontwikkelen.
Sommige scholen kiezen ervoor om digitale geletterdheid in een apart vak aan te bieden. Zoals hierboven is beschreven, is het heel goed mogelijk om de kerndoelen bij bestaande vakken aan bod te laten komen. Scholen die net beginnen, kunnen zich laten inspireren door scholen die al een leerlijn hebben ontwikkeld. Het kan een startpunt zijn voor een eigen visie en leerlijn die is afgestemd op de eigen lesomgeving en identiteit van de school.
Ouders spelen een belangrijke rol bij de ontwikkeling van digitale geletterdheid. Door hen te betrekken, kunnen de leerinhouden in lijn worden gebracht met de waarden thuis. Veel scholen organiseren bijeenkomsten waar ouders uitleg krijgen over de visie op digitale geletterdheid binnen de vrijeschool. Dit soort bijeenkomsten zijn ook een goede gelegenheid om onderwerpen als schermtijd en privacy te bespreken. In hoeverre bewaak je de schermtijd van het kind? Hoe geef je het goede voorbeeld en hoe bescherm je het kind tegen nare beelden? Tot slot kunnen ouders een belangrijke rol spelen in het ondersteunen van digitale vaardigheden thuis. Ze kunnen bijvoorbeeld het gebruik van educatieve apps begeleiden of creatieve digitale projecten stimuleren. Hun betrokkenheid versterkt de leerervaring van de leerlingen.