
Tegelijk met de fysieke veranderingen worden negendeklassers zich bewust van hun eigen binnenwereld en het gegeven dat dit privé is.
Steiner merkte op dat dit kan resulteren in een overmatige focus op hun eigen problemen en zorgen óf - om de pijn niet te hoeven voelen - in een overmatige focus op de buitenwereld. Ook zag hij dat de leerlingen zich vaak bewust werden van het immateriële, doordat zij steeds abstracter kunnen denken. De tegenstelling die zij ervaren tussen enerzijds de materiële, fysieke kant van de wereld en anderzijds de immateriële, abstracte kant van de wereld, zou voor een innerlijke onrust kunnen zorgen.
Om een beetje orde in de chaos te scheppen, heeft de negendeklasser een slimme strategie: het zwart-wit denken. Iets of iemand is goed óf fout, maar niet iets daartussenin. Deze leerlingen varen vaak op duidelijkheid, houvast, structuur en grenzen.
In de negende klas is het curriculum opgebouwd rondom de wat-vraag: Wat is gebeurd? Wat is er aan de hand? Wat heb je gehoord? Wat heb je gezien? Op weg naar een moreel oordeelsvermogen oefent de negendeklasser met feiten verzamelen om tot een oordeel te komen dat op feiten en waarnemingen gebaseerd is.
Het kan helpen om leerlingen concrete opdrachten en duidelijke kaders te geven. Juist omdat de oordeelsvorming op deze leeftijd gebaseerd is op verzamelde feiten, is het de moeite waard om aandacht te geven aan deze feitenverzameling. Dit kan leerlingen helpen tot een juist oordeel te komen.
Het curriculum is zo ontworpen dat het de aanwezige onrust weerspiegelt. Het laat de leerlingen de innerlijke strijd zien in uiterlijke fenomenen in de wereld. Leerlingen bestuderen daarvoor abstracte concepten en thema’s, zoals de tegenstelling tussen hitte en kou (thermodynamica) bij natuurkunde, revoluties bij geschiedenis en platentectoniek bij aardrijkskunde.
De leerlingen observeren en beschrijven het fenomeen heel precies en objectief zonder theoretische uitleg of eigen interpretatie toe te voegen. Op deze manier leren zij een stabiele koers te varen in hun eigen denken. Daaraan kunnen zij zich vasthouden wanneer er een strijd gaande is in hun binnenwereld of de wereld om hen heen.

Nu het gevoelsleven wat meer in balans raakt en genuanceerder wordt, komt er ook wat meer kleur in het zwart-witdenken. Zo langzamerhand kun je spreken van de ontwikkeling van het ‘bezield oordeelsvermogen’: iets of iemand is niet langer alleen goed of fout.
De tiendeklasser leert om te zoeken naar gedachten en gevoelens achter de feiten (Hoe zijn ze ontstaan?) om zo tot een inlevend oordeel te kunnen komen. De leerling begint een zekere balans te vinden in de tegenstelling tussen het fysieke en het abstracte. Waar het ervaren van deze tegenstelling eerder tot innerlijke en gedragsmatige onrust leidde, keert de rust in de tiende klas weer enigszins terug.
Het curriculum ondersteunt deze ontwikkeling door de aandacht te richten op tegenstellingen en het vinden van een balans daarin. Bij scheikunde kunnen bijvoorbeeld zuren en basen worden behandeld, in natuurkunde de mechanica en in de geografie de zelfregulerende processen van het weer. Door het bestuderen van balans in verschillende fenomenen, kunnen leerlingen hun eigen koers vinden. Deze ontdekking kan het verlangen opwekken om op zoek te gaan naar de oorsprong der dingen, de bron van deze vormen en het ontstaan van het universum, of de geschiedenis van de menselijke taal. Kortom, het bestuderen van vroegere tijden en van processen. Samengevat is de onderliggende vraag steeds: Hoe? Hoe verhoudt het een zich tot het ander? Hoe is dit fenomeen ontstaan? [1]
[1] Leibner, E. (2017). The Seven Core Principles of Waldorf Education. New York: Waldorf Publications at the Research Institute for Waldorf Education.

Wanneer leerlingen in de elfde klas komen, ontwikkelen zij steeds meer eigenheid. Er komt steeds meer diepgang in het innerlijke leven van gevoelens, gedachten en daden. Met deze diepgang worden de leerlingen ook steeds individueler. Een onderliggend thema is hier: het oude, wat je hebt gekregen, kun je dat achterlaten? Hoe kun je doorgaan met je eigen reis?
Telkens speelt hier de onderliggende vraag naar het ‘waarom’. Waarom zijn de dingen zoals ze zijn? Waarom ben ik hier? Vragen van lotsbestemming, de zin van het leven en sociale verantwoordelijkheid kunnen hun weg vinden in het curriculum van de elfde klas. Er is een innerlijke drang naar intellectuele onafhankelijkheid en vrijheid ten opzichte van ouders en omgeving.
Een onderliggend thema is hier: het oude, wat je hebt gekregen, kun je dat achterlaten? Hoe kun je doorgaan met je eigen reis?
Telkens speelt hier de onderliggende vraag naar het ‘waarom’. Waarom zijn de dingen zoals ze zijn? Waarom ben ik hier? Vragen van lotsbestemming, de zin van het leven en sociale verantwoordelijkheid kunnen hun weg vinden in het curriculum van de elfde klas. Er is een innerlijke drang naar intellectuele onafhankelijkheid en vrijheid ten opzichte van ouders en omgeving.
Het curriculum sluit hierbij aan door ruimte te bieden aan individuele ontplooiing en het vinden van de eigen weg. Een belangrijk thema hierbij is het ontwikkelen vanabstract denken. In veel vakken wordt de aandacht daarom gericht op onderwerpen die niet direct waar te nemen zijn, maar wel degelijk van waarde zijn in het leven. Zo lenen de verhalen van Parcival en ‘De goddelijke komedie’ van Dante zich uitstekend voor lessen in de elfde klas. Bij geschiedenis is het zinvol de aandacht te richten op de middeleeuwen, de renaissance en de verlichting omdat juist in deze perioden steeds meer aandacht komt voor de individuele mens en de reisnaar het onbekende. Tot slot is ook projectieve meetkunde, waarin twee parallelle lijnen elkaar kruisen in het niet zichtbare oneindige, een zeer geschikt onderwerp in deze jaarlaag omdat het veel van het abstractievermogen vraagt en omdat leerlingen nu gevoel voor het fenomeen ‘paradox’ krijgen.
De elfdeklasser is eraan toe om over de zichtbare grens te kijken en met meer ambitieuze, individuele en eventueel wetenschappelijke onderzoeksopdrachten aan de slag te gaan. Tijdens discussies kan de elfdeklasser echt de eigen standpunten onderbouwen met argumenten. Een mooie oefening waarin (vaak met veel vuur en enthousiasme) de eigen individualiteit tot uitdrukking komt.

In de twaalfde klas staat het ‘existentieel oordeelsvermogen’ centraal. Wie ben ik en wat is mijn plaats als individu binnen de groep? Wie gaat achter de uiterlijke verschijnselen en gebeurtenissen schuil en wie integreert deze tot een geheel? Deze brede vragen moedigen leerlingen aan om de vraagstukken van henzelf en de wereld te ontdekken en dieper tot de essentie van vraagstukken door te dringen.
De lesstof richt zich op de kern of het wezenlijke van de dingen. Wat is de essentie van de romantiek? Wat is de kern van dit conflict in de wereld? Het gevoel de dingen te overzien groeit en de leerlingen krijgen ook een beter inzicht in wat hun eigen positie, aandeel of verantwoordelijkheid in een situatie is. Zij kunnen nu soms ook los van hun eigen belangen beoordelen wat goed is voor de wereld.
Leerlingen hebben er baat bij dat leraren hen stimuleren om eigen standpunten te ontwikkelen en die te plaatsen in de context van de klas of de maatschappij. Lukt het de leerlingen om ook de standpunten van de anderen te begrijpen en te respecteren? Dit soort oefeningen in ‘perspectief wisselen’ helpen de leerlingen in de ontwikkeling van het existentiële oordeelsvermogen. Leraren kunnen onderwerpen uit de wereldgeschiedenis, architectuur en literatuur aanbieden en deze verbinden aan de rol van de mens en de hedendaagse tijd. Opdrachten die in dit jaar gedaan worden vragen om samenhang tussen vakoverstijgende onderwerpen waarover zij geleerd hebben.