In de tiende klas geven wij les in spinnen. Leerlingen hebben op die leeftijd nog veel chaos in hun hoofd, vergelijkbaar met de kluwen wol waar ze mee beginnen. Door een draad te spinnen krijgen zij onbewust meer orde in de chaos in hun hoofd. Het helpt hen zichzelf te vinden.Carmen van Vught, Rudolf Steiner College Haarlem

Inleiding

Het vrijeschoolonderwijs wil de ontwikkeling van de gehele mens stimuleren, niet enkel de cognitieve ontwikkeling. Op de vrijeschool wordt het hoofd (denken) aangesproken in samenhang met het hart (voelen) en de handen (handelen). Dat betekent dat leerlingen, wanneer zij kennis verwerven en denkvaardigheden oefenen, ook kunstzinnig bezig zijn en iets met hun handen moeten doen.

De ontwikkeling van het gevoelsleven (het hart) krijgt niet alleen vorm in de kunstzinnige lessen als schilderen, dans, toneel en tekenen, maar ook in bijvoorbeeld de lessen taal, rekenen, geschiedenis en heemkunde. Deze brede ontwikkeling wordt ook wel de ontwikkeling van ‘de gehele mens’ genoemd.

Hoe gaat dat in zijn werk?
Het onderwijs biedt een scala aan ervaringen die leerlingen enthousiasmeren om als volwassen mens in de wereld te staan en hun eigen bijdrage aan deze wereld te leveren. Wat de school binnen de landelijke kaders aanbiedt, staat beschreven in de leerplannen van de school. De vrijeschool streeft ernaar de leerervaringen op het juiste moment in de ontwikkeling van de leerling aan te bieden. Namelijk wanneer de ervaringen optimaal aan deze ontwikkeling kunnen bijdragen.

1 Wat is het en wat zien we?

Stel je een enorme cilindervormige toren voor die in een uitgestrekt landschap staat. Via een wenteltrap kom je steeds een verdieping hoger, waar brede ramen je uitzicht over het landschap geven. Sommige ramen zijn boven elkaar gepositioneerd, waardoor je over hetzelfde stuk van het landschap uitkijkt, maar vanaf een hogere verdieping. Deze toren is te vergelijken met het curriculum van de vrijeschool. De leerlingen komen op de benedenverdieping binnen (kleuterklas) en nemen elk jaar de trap naar een hoger niveau. Vanaf elke verdieping kijken ze door de ramen de wereld in. Tot ze de twaalfde klas bereiken en het luik openduwen dat toegang geeft tot het dak van de toren. Hier kunnen ze voor de eerste keer het volle panorama van het landschap beleven waarvan ze tot dan toe alleen stukjes hebben gezien. [1]

[1] Leibner, E., (2017). The Seven Core Principles of Waldorf Education. New York: Waldorf Publications at the Research Institute for Waldorf Education.

1.1 Het vrijeschoolcurriculum

Een curriculum is een plan voor leren. Het beschrijft de leerstof, de doelen en wanneer leerlingen wat leren of ervaren. In Nederland is ongeveer zeventig procent van de lesinhoud landelijk vastgelegd. De overige dertig procent mogen scholen zelf invullen. Ook bepalen zij zelf op welke manier zij de leerstof aanbieden.

Hoe een school die landelijke kaders invult, staat beschreven in het eigen leerplan. Binnen dat leerplan hebben leraren een zekere mate van autonomie. Op vrijescholen is het curriculum gebaseerd op de leerplanaanwijzingen en richtlijnen die Rudolf Steiner ontwikkelde vanuit zijn ideeën over de ontwikkeling van het kind. [2] Dat is geen dik handboek of stappenplan dat op iedere vrijeschool hetzelfde wordt toegepast, maar een gezamenlijke basis die scholen op hun eigen manier vormgeven.

Tegelijkertijd staat ook het vrijeschoolcurriculum niet stil. Het ontwikkelt zich voortdurend, omdat het zich moet verhouden tot veranderingen in de samenleving én tot nieuwe landelijke kerndoelen en eindtermen. Thema’s als inclusie, diversiteit, digitale geletterdheid en burgerschap krijgen daardoor een plek in het curriculum. Het vrijeschoolcurriculum is dus herkenbaar in zijn uitgangspunten, maar ook voortdurend in beweging in de uitwerking.

[2] De eerste leerplanoverzichten staan in Steiner, R. (1919). Opvoedkunst. 13e voordracht. In de jaren daarna werden deze verder uitgewerkt door o.a. Stockmeijer en Richter. In het Nederlands is het werk verschillende malen uitgewerkt, o.a. recent in Leerlijnen voor de verschillende klassen van BVS-schooladvies (zie verder lezen).

1.2 Klassenindeling

De vrijeschool baseert haar nummering op de antroposofische pedagogiek, waarin een duidelijke scheiding is tussen de kleuterleeftijd en het begin van het cognitieve leren (vanaf klas 1). In een schema ziet dat er als volgt uit:

2 Waarom doen we wat we doen?

2.1 Aansluiten bij de ontwikkeling van de leerling

Een belangrijk uitgangspunt van het vrijeschoolonderwijs is dat leraren de lesinhoud en werkvormen afstemmen op de klas. Ze kijken naar wat leerlingen in het betreffende leerjaar aanspreekt en wat ze nodig hebben om zich verder te ontwikkelen. Als individu en als onderdeel van het geheel, de klas. De leerstof sluit dus aan bij de ontwikkelingsfase van de leerling. Daarom wordt op veel vrijescholen ook niet gesproken over ‘leerstof’ maar ‘ontwikkelstof’.

Er zijn verschillende manieren om de ontwikkeling van baby tot volwassene te verdelen in fases. Elke fase heeft een eigen typering op fysiek, emotioneel en cognitief gebied. Vrijescholen gaan uit van de indeling die Rudolf Steiner maakte. Deze fasen zijn schematisch in te delen in perioden van telkens ongeveer zeven jaar. Elke fase met zijn specifieke kenmerken vraagt ook om een specifieke aanpak en lesinhoud. Op deze pagina lees je meer over de verschillende fases.

De indeling in ontwikkelingsfasen is een globale richtlijn. Natuurlijk heeft daarbij elke leerling in elke jaarlaag ook specifieke behoeftes. Dit betekent dat leraren hun onderwijs ook moeten afstemmen op de unieke en specifieke ontwikkelingsvragen van elke leerling. De indeling in ontwikkelingsfases kan daarbij als algemeen kader voor het onderwijs dienen.

2.2 Hoofd, hart en handen

Het vrijeschoolonderwijs richt zich op de brede ontwikkeling van de mens. Dat betekent dat het niet alleen gaat om kennisoverdracht, maar ook om het bevorderen van persoonlijke groei, maatschappelijke betrokkenheid en autonomie. Daarom spreekt het vrijeschoolonderwijs het hoofd (denken) in samenhang met het hart (voelen) en de handen (willen, ‘handelen’) aan. De leerplanaanwijzingen zijn zo opgebouwd dat leerlingen worden uitgedaagd het hoofd, hart en handen aan te spreken. Op die manier wordt de leerling zowel intellectueel, kunstzinnig, ambachtelijk als sociaal uitgedaagd om zich te ontwikkelen.

Veel scholen gebruiken hierbij de drieslag van onderwijspedagoog Gert Biesta die benadrukt dat goed onderwijs niet alleen gericht moet zijn op kennisoverdracht en het behalen van doelen en meetbare resultaten (kwalificatie). Het moet ook helpen om goed geïntegreerd deel te nemen aan de samenleving (socialisatie) en de wil wekken om vanuit vrijheid eigen keuzes te maken in ontmoeting met de wereld (‘persoonswording’, subjectificatie) [3]. Het onderwijs gaat daarbij niet alleen over wat leerlingen zelf willen leren, maar biedt juist die dingen aan waar zij uit zichzelf niet naar gezocht zouden hebben.[4]

Natuurlijk is geen leerling hetzelfde. De één is geneigd om vooral het hoofd te gebruiken terwijl een andere leerling juist in eerste instantie vanuit het gevoel handelt. Aan de leraar de taak om de ontwikkeling van alle drie de dimensies te stimuleren.

[3] Zie ook: Biesta, G. J. J. (2018). Tijd voor pedagogiek. Over de pedagogische paragraaf van onderwijs, opleiding en vorming. Utrecht: Universiteit voor Humanistiek.
[4] Zie ook: Biesta, G. (2019). Kindvriendelijk ≠ pedagogisch. VO-magazine maart 2019.

3 Wat betekent het voor de leraar?

Hoe geeft de leraar invulling aan een zinvol curriculum? Allereerst moet het helder zijn wat de pedagogische opdracht is. Pas dan kan de leraar gaan nadenken over waarmee hij de leerling in aanraking wil brengen, wanneer, hoe, waar, met wie, wat er daarbij van de leerling kan én moet worden gevraagd, hoe hij dat toetst of evalueert.
Vanuit het inzicht in de menskunde , de ontwikkelingsfasen en leerplanaanwijzingen bepalen leraren de lesinhoud en de werkwijze (het curriculum). Dit in afstemming met de landelijke kaders en richtlijnen van de school. Leraren kunnen daarna binnen de lessen differentiëren als de individuele ontwikkelingsbehoeften van de leerlingen daarom vragen.

Hieronder vind je een beschrijving van het curriculum van de vrijeschool waarbij de belangrijkste vakken en thema’s aan bod komen. Uiteraard is deze beschrijving niet volledig en verschilt het per school hoe het curriculum precies vorm krijgt.

3.1 Kleuterklas

In de kleuterklas staat de ontwikkeling van het fysieke lichaam centraal. Kleuters leren door middel van nabootsing en zinvolle beweging. Fantasie geldt als de belangrijkste verwerkingsvorm in de kleuterklas en helpt de kinderen in hun sociale, emotionele en cognitieve groei. Vaak is er een vaste dagstructuur. Didactische middelen zijn voorbeeldgedrag en zorg voor ritme, aandachtig observeren en het eventueel actief toevoegen van spelelementen.

Naar curriculum - kleuterklas

3.2 Onderbouw (klas 1 t/m 6)

In de onderbouw komt het kind in de tweede zevenjaarsfase en leert het niet meer met name via de nabootsing en beweging. Het gesproken woord en het oproepen van beelden worden de belangrijkste instrumenten van de leerkracht. Als leerkracht spreek je via het gevoel het denken en handelen aan.

Het overkoepelende thema van de klassen een tot en met zes is de ontdekking van de wereld en de medemens. In de eerste klassen veroveren de kinderen de grote culturele vaardigheden: schrijven, lezen en rekenen. Vanaf klas drie krijgt het kind een steeds bredere, veelzijdigere en concretere blik op de wereld.

Doorgaans begint de lesdag met periodeonderwijs. Dit betekent dat er een of meerdere weken lang, gedurende de eerste twee uur van de dag, hetzelfde vak gegeven wordt. In de eerste klas (groep 3) beperkt dit zich tot taal- en rekenperioden, een heemkundeperiode en een toneelperiode. In de loop van de jaren komen daar vakgebieden bij als geschiedenis en aardrijkskunde. Na het periodeonderwijs en een korte pauze staan de vaklessen op het programma: handarbeid, dans, fluiten, schrijven, schilderen, vormtekenen, gym en later ook Engels et cetera. Daarnaast is er tijd voor inoefening van wat er in de periode is behandeld.
Vanaf de eerste klas worden de vorderingen van de kinderen bijgehouden via een leerlingvolgsysteem. Ook worden twee keer per jaar landelijke spelling-, reken- en leestoetsen afgenomen.

Naar curriculum onderbouw

3.3 Middenbouw (klas 7 & 8)

De zevende en achtste klas zijn de eerste klassen van het voortgezet onderwijs en vormen samen de middenbouw. De meeste leerlingen zijn 12-14 jaar en zitten in de tweede zevenjaarsperiode (zie ontwikkelingsfasen). De klassen 7 en 8 nemen vaak een eigen plek in in de school, ze krijgen bijvoorbeeld les in een eigen lokaal of hebben een mentor die meerdere vakken geeft. Het onderwijs geeft ruimte aan de fantasie én is erop gericht een gevoel voor oorzaak-en-gevolgrelaties (causaal denken) te ontwikkelen. Verhalen en beelden die de creativiteit opwekken vormen grotendeels de basis voor het onderwijs in deze klassen. Het vakkenpakket is breed tot en met de negende klas: leerlingen krijgen onder andere natuurkunde, economie en aardrijkskunde. Deze vakken kunnen aangeboden worden in zowel periode- als vaklessen.

Naar curriculum middenbouw

3.4 Bovenbouw (klas 9 t/m 12)

De negende tot en met de twaalfde klas vormen de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. De meeste leerlingen zijn tussen de 15 en 18 jaar en daarmee in de derde zevenjaarsperiode (zie ontwikkelingsfasen). De bovenbouwer zal steeds meer een eigen weg in het leven vinden: keuzes maken in vriendschappen, in schoolvakken en in wat er mogelijk is ná school. Goed om te weten is dat het vrijeschoolleerplan in principe een plan is voor twaalf jaar. Tegenwoordig doorlopen de leerlingen verschillende trajecten afhankelijk van de profielen, leerwegen en niveaus die zij kiezen. Zij werken toe naar een eindexamen in de tiende, elfde of twaalfde klas.

De focus in de bovenbouw ligt onder andere bij het ontwikkelen van een abstract denkvermogen. Daarbij streeft de leraar er steeds naar het denken te verbinden met het gevoel. Ook het ontwikkelen van een moreel oordeelsvermogen is een belangrijke pijler in de bovenbouw.

Vanaf de negende klas is het curriculum opgebouwd rondom vier hoofdvragen, die elk passend zijn bij een leerjaar:

  • In de negende klas: Wat?
  • In de tiende klas: Hoe?
  • In de elfde klas: Waarom?
  • In de twaalfde klas: Wie?

Dat leerlingen zich in een eigen tempo ontwikkelen, hoeft hierbij geen probleem te zijn. De vragen die per leerjaar zijn geformuleerd, zijn namelijk vragen die elk opgroeiend mens bezighouden.

Aan het einde van de middelbareschooltijd (en na een terugblik op de schoolloopbaan en alle sociale en persoonlijke processen) is de jongvolwassene klaar om een eigen pad te kiezen en de wereld in te trekken.

Naar curriculum bovenbouw

Bronnen

  • https://didactiefonline.nl/blog/blonz/gert-biesta-over-de-voorstellen-van-curriculumnu
  • Biesta, G. J. J. (2018). Tijd voor pedagogiek. Over de pedagogische paragraaf van onderwijs, opleiding en vorming. Utrecht: Universiteit voor Humanistiek.
  • Leibner, E., (2017). The Seven Core Principles of Waldorf Education. New York: Waldorf Publications at the Research Institute for Waldorf Education.
  • Biesta, G. (2019). Kindvriendelijk ≠ pedagogisch. VO-magazine maart 2019.
  • Stockmeyer, E.A.K. (2001). Rudolf Steiner’s Curriculum for Steiner-Waldorf Schools. Londen: Steiner Waldorf School Fellowship.
  • Dickens, C. (1846). A Christmas Carol in prose (Vol. 91). Tauchnitz.

Verder lezen

  • Eijgenraam, L. (2015). Gezond hechten. Zeist: Uitgeverij Christofoor.
  • Eijgenraam, L. (2016). De vrijekleuterklas. Zeist: Uitgeverij Christofoor.
  • Eijgenraam, L. (2016). Je kind beter begrijpen. Zeist: Uitgeverij Christofoor.
  • Eijgenraam, L. (2016). Liefdevolle begrenzing. Zeist: Uitgeverij Christofoor.
  • Eijgenraam, L. (2017). Spel, spelen en speelgoed. Zeist: Uitgeverij Christofoor.
  • Eijgenraam, L. (2024). Kind van negen. Zeist: Uitgeverij Christofoor.
  • Leibner, E. (2017). The seven core principles of Waldorf Education. New York: Waldorf Publications at the Research Institute for Waldorf Education.
  • Steiner, R. (1987). Opvoedkunst: methodisch-didactische aanwijzingen. Uitgeverij Christofoor.
  • Steiner, R. (1989). Praktijk van het lesgeven. Werkbesprekingen met leraren.
  • Voor de kleuterklas: henniedegans.nl
  • Voor middenbouw en bovenbouw (voortgezet onderwijs): vrijeschoolwiki (alleen voor (aspirant-)leden van de vereniging.
  • Zie ook bvs-schooladvies.nl voor publicaties op het gebied van leerlijnen.