Curriculum - onderbouw (klas 1 t/m 6)

1 De eerste klas

Rond het zesde jaar is het kind leerrijp én leergierig. Het heeft nog veel spel en beweging nodig, maar kan ook aan je lippen hangen bij een verhaal. Ook zijn de kinderen nu steeds beter in staat meerdere opdrachten achter elkaar te onthouden en uit te voeren.

Vanaf de eerste klas leert het kind schrijven, lezen en rekenen. Het leren schrijven begint met de rechte en kromme lijn, de vormprincipes waar alle letters uit opgebouwd zijn. Het kind oefent deze vormen veelvuldig tijdens de vormtekenlessen en de eerste schrijflessen. Hoewel veel kinderen aan het begin van de eerste klas al een beetje kunnen lezen, gaat op de vrijeschool het leren schrijven vooraf aan het leren lezen.

1.1 Lezen & schrijven

Het leren lezen begint met het aanbieden van de letters. De leerkracht introduceert de letters vanuit een letterbeeld, bijvoorbeeld een fragment uit een verhaal. Vervolgens koppelt de leerkracht de klank aan dit teken. Zo ontstaan bijvoorbeeld de slangenletter (s) en de koningsletter (k).

Volgens de leerplanaanwijzingen van Steiner is het thema van de eerste klas het sprookje (zie thema Verhalen vertellen). Sprookjes leveren beelden voor de taallessen, maar ook voor tekenen, schilderen en euritmie. De leerkracht vertelt, zo mogelijk, iedere dag vanuit deze rijke sprookjesbron.

1.2 Rekenen

Bij het leren rekenen vertelt de leerkracht eerst over de kwaliteit van de getallen. Er is maar één zon en één aarde en één jij. Dat maakt het getal één niet klein maar juist groot.

Vervolgens wordt er heel veel geteld en geordend. Met schelpen, kastanjes of steentjes maar ook met de kinderen in de klas. Al zingend en spelend leren ze hoe ze de klas kunnen verdelen in groepjes van twee, drie of vier kinderen. Zo maken de kinderen in de eerste klas kennis met de vier hoofdbewerkingen: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

2 De tweede klas

De tweedeklassers zijn duidelijk meer aanwezig en meer zichtbaar in hun goede én ondeugende eigenschappen. Ze herkennen deze eigenschappen ook bij elkaar. De vertelstof van de fabels sluit hier mooi op aan. In de karakters van de dieren, de sluwe vos en de ijdele raaf, herkennen de kinderen onbewust zichzelf én de ander. De heiligenlegendes, maar ook bijvoorbeeld de Kantjil-verhalen uit Indonesië, die in de tweede klas verteld worden, spiegelen het kind hoe het zich vanuit zijn kwaliteiten kan inzetten voor het goede. Ook in het vormtekenen met het maken van spiegelvormen komt dit thema van tegenstellingen terug.

2.1 Taal & rekenen

De taal- en rekenperiodes bouwen voort op de vaardigheden van de eerste klas. Bij het rekenen wordt het geheugen uitgedaagd aan de hand van de tafels van vermenigvuldiging. Nog altijd begint het rekenonderwijs bij bewegen en de beleving en werkt het toe naar de abstracte som en het oefenen van de rekenbewerkingen. De kinderen leren schrijven over wat ze zelf hebben gezien, gehoord of meegemaakt. Zij oefenen het lezen zowel zelfstandig als in groepjes. Daarnaast is er ruim aandacht voor spreekvaardigheid. Dit doen ze door te reciteren of met toneelspel en klassengesprekken.

3 De derde klas

Het centrale thema voor het kind in de derde klas is ‘thuis raken in de wereld om je heen’. Er wordt wel gezegd dat dit het jaar is waarin de kinderen hun ‘gouden kindertijd’ afsluiten. De kinderen stappen langzamerhand in de hedendaagse cultuur, ze worden een kind van deze tijd. Met andere woorden: zij krijgen interesse in de concrete buitenwereld en willen aan de slag.

Een kind in de derde klas wil de wereld met handen en voeten leren kennen. Daarom staan de (oude) ambachten dit jaar centraal. De kinderen raken geïnteresseerd in ambachtelijke processen en ontwikkelen respect voor de werkende mens die zijn plaats in de samenleving heeft. Ze kunnen zelf ook hard werken.

3.1 Huizenbouw

Tijdens de periode van de huizenbouw spelen de ambachten nog steeds een rol. Toen Rudolf Steiner zijn leerplan voor de vrijescholen opstelde, koos hij met een opzet voor een huizenbouwperiode. Hij zag het huis als een oerbeeld van het menselijk lichaam - een plek om je thuis te voelen in een woelige wereld. Tot dan toe heeft de leerling zichzelf als één met de wereld ervaren, nu begint het zichzelf gaandeweg als individu te ervaren.

Dit opent hele nieuwe perspectieven, maar zal tegelijk (rond het tiende levensjaar) uitmonden in een ‘innerlijke breuk’. Het kind zal moeten gaan bouwen aan een nieuwe verhouding met de omgeving. In de derde klas wordt het daar als het ware op voorbereid door samen met anderen een huis te bouwen: in de buitenwereld een veilige plek om je in terug te trekken, in de binnenwereld een symbool voor een stevig, veilig thuis in jezelf.

3.2 Taal & rekenen

Bij taal komen woordsoorten en leestekens aan bod. De leerlingen gaan nu ook zelf verhalen schrijven. Tijdens de rekenlessen klappen en stampen de leerlingen de tafels en oefenen zij individueel om de tafels te automatiseren. Het rekenen met geld komt voor het eerst aan de orde en de kinderen gaan schattend rekenen en afronden. Op deze manier kunnen leerlingen zich vrijer bewegen in de getallenwereld en de getallen beter hanteren.

In de derde klas staan van oudsher verhalen uit het Oude Testament centraal, maar tegenwoordig worden ook verhalen uit de Koran of de Thora verteld. Zie ook het thema Verhalen vertellen.

4 De vierde klas

Rond het tiende jaar worden bij de leerling vaak de eerste tekenen van de puberteit waargenomen. De leerling voelt zich steeds meer een zelfstandig individu, maar is tegelijkertijd ook onderdeel van de groep. Dit gaat niet zonder slag of stoot. De leerling moet een nieuwe verhouding tot de omgeving vinden, wat kan leiden tot gevoelens van eenzaamheid en onrust maar ook van een zekere trots. Rudolf Steiner noemde dit ‘de innerlijke breuk’.

4.1 Breuken, canon & werkwoordsvervoeging

De grote veranderingen en het zoeken naar nieuwe verhoudingen is ook terug te zien in het curriculum. Bij rekenen maken leerlingen kennis met de breuken. Want ook in de getallenwereld blijkt het geheel uit delen te kunnen bestaan. Ook zingen leerlingen dit jaar voor het eerst in canon. Ze laten hun eigen stem horen terwijl ze tegelijkertijd deel uitmaken van een muzikaal geheel. In de taallessen gaan heden, verleden en toekomst een rol spelen. Bijvoorbeeld in de werkwoordsvervoeging die in de persoonsvormen per tijd verschilt: ik maakte, ik heb gemaakt, ik maak, ik zal maken.

4.2 Geschiedenis, aardrijkskunde & dierkunde

Geschiedenis en aardrijkskunde zijn in dit jaar nog aan elkaar gekoppeld. De kinderen onderzoeken de geschiedenis van de directe omgeving van de school. Vervolgens komen de eigen provincie, de omliggende provincies en tot slot Nederland als geheel aan bod. Het kind maakt kennis met noord, zuid, oost en west en met plattegronden en kaarten.

In de periode dierkunde worden de verschillende dieren en hun kwaliteiten vergeleken met de mens. Waar het dier uitblinkt in eenzijdigheden is de mens veelzijdig, waarna het zich kan specialiseren.

4.3 Vertelstof

Traditiegetrouw is de vertelstof van de vierde klas de Edda, met een veelheid aan goden, elk met hun eigen karakter en vermogens. De eenzaamheid die kinderen kunnen ervaren, wordt weerspiegeld in de ondergang van de godenwereld. De fantasiewereld maakt nu definitief plaats voor de werkelijkheid. Tegenwoordig zoeken scholen ook naar andere verhalen uit verschillende culturen met een vergelijkbaar thema. Zie ook ons thema Diversiteit & inclusie.

5 De vijfde klas

In de vijfde klas hervinden de kinderen vaak een nieuw evenwicht. Ze zijn zich meer bewust van zichzelf en tonen een hernieuwde belangstelling voor de buitenwereld én voor de ander. Het is de tijd van ‘Ik zie rond in de wereld’ [1] en van het aangaan van nieuwe vriendschappen en samenwerkingsvormen.

[1] ‘Ik zie rond in de wereld’ is ook de eerste zin van de ochtendspreuk die vanaf de vierde klas elke dag met de klas gezegd wordt.

5.1 Geschiedenis

Het verkennen van de wereld krijgt vorm door een aantal nieuwe vakken in de vijfde klas:
geschiedenis wordt nu een zelfstandig vak en behandelt de oude culturen van India tot en met de Griekse cultuur. De kinderen maken kennis met de oorsprong van landbouw en veeteelt. Ze leren over de mens en hun cultuur en religies, waardoor ze in aanraking komen met de grote wereldgodsdiensten. Verhalen vormen de hiertoe de ingang, zodat kinderen de schoonheid van deze oude wereldgeschiedenis kunnen ondergaan.

5.2 Aardrijkskunde

De verwevenheid van mensen en hun leefomgeving, met gesteente (sediment), planten en dieren is het belangrijkste thema. Kinderen kunnen daardoor een ecologisch bewustzijn ontwikkelen. In de aardrijkskunde kunnen de leerlingen de wereld verder verkennen aan de hand van de loop van grote rivieren die in Nederland uitmonden in zee. Ook kan de leraar de kinderen laten ervaren hoe verbonden we zijn met gebieden ver weg in de wereld. Leerlingen kunnen bijvoorbeeld uitzoeken hoe een dagelijks gebruiksartikel als een spijkerbroek gemaakt wordt en waar grondstoffen vandaan komen. Deze kennis kan de leraar verbinden met taalopdrachten als lezen, het gebruiken van bronnen en het schrijven van zakelijke brieven.

5.3 Plantkunde

Na dierkunde in de vierde klas, staat in de vijfde klas plantkunde centraal. De plantkunde blijft dicht bij huis. De leerkracht richt de blik van de kinderen op al die planten (inclusief mossen en bomen) die ze al jaren kennen. Nu plaatst de leraar alles wat groeit in een groot overzicht van het plantenrijk. Hij probeert daarbij zowel de beleving (bijvoorbeeld via poëzie) als de plantenkennis aan bod te laten komen. Hij kan de kinderen heel praktisch aanspreken met vragen als: Welke mensen zijn er in hun werk bezig met planten?

5.4 Vertelstof

De vertelstof is de Griekse mythologie: Goden die met mensen omgaan en allerlei manieren van contact en ontmoeting aangaan, met alle gevoelens en nuances die daarbij komen kijken. Natuurlijk geldt ook hier dat verhalen van gelijke strekking uit verschillende culturen in dit jaar een plek kunnen krijgen. Bijvoorbeeld de Bhagavad Gita, het Indiase epos in de vorm van een dialoog tussen God (Krishna) en de mens (Arjuna).

6 De zesde klas

In de zesde klas lijkt zich een nieuwe fase aan te dienen, waarin het eigen ik sterker op de voorgrond komt. Kinderen groeien fysiek en zoeken elkaar soms op in krachtmetingen; ook kunnen zich meer clubjes vormen. De blik richt zich steeds meer op de buitenwereld: ze willen de zichtbare wereld verkennen, begrijpen en daarin een eigen plek innemen.

6.1 Exact waarnemen

Bij aardrijkskunde komen de werelddelen aan bod, passend bij de steeds groter wordende wereld van de kinderen. Bij natuurkunde oefenen de leerlingen met exact waarnemen. Geen verklaringen over oorzaken, maar objectief waarnemen. Het gaat om de exactheid en de schoonheid van de fenomenen. Het rekenen behandelt percentages en verhoudingen. Het tekenen van meetkundige figuren vraagt om precisie.

In de taallessen is er aan de ene kant aandacht voor het analytische als kinderen zinsdelen en woordsoorten leren benoemen. Aan de andere kant staat ook de schoonheid van de taal in poëzie en uitdrukkingen centraal.

6.2 Mineralogie

In de periode mineralogie leren de zesdeklassers het hardste deel van de natuurrijken kennen: de wereld van de gesteenten en mineralen. En als tegenhanger het waarnemen van atmosferische verschijnselen als regen, wind, zon, maar ook de de verschillende klimaten.

6.3 Vertelstof

Vertelstof wordt nu langzaamaan echte geschiedenis met waargebeurde verhalen, bijvoorbeeld verhalen uit het Romeinse Rijk of de islam. Centraal staat ontwikkeling van het recht met de daarbij horende wetten, orde, regels en plichten.