Thema: De pedagogische wet

De volwassen opvoeder voedt eerst zichzelf op en daardoor de leerlingen.Valentin Wember in Wilsopvoeding (2016)

Inleiding

De antroposofische visie op de mens vormt een belangrijk fundament van het vrijeschoolonderwijs. Het is de basis van het curriculum, de werkvormen en de pedagogisch-didactische houding van de leraar. In de bouwsteen Menskunde kun je lezen hoe de mens zich volgens het antroposofische mensbeeld ontwikkelt. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het fysieke lichaam, het etherlichaam, het astraallichaam en ‘het ik’. Deze worden de vier wezensdelen genoemd. De gedachte is dat een mens zich stapsgewijs ontwikkelt, in fases van telkens zeven jaar. Hierover gaat de bouwsteen Ontwikkelingsfasen.

In dit thema gaat het over de vraag hoe leraren hun eigen wezensdelen in elke fase kunnen inzetten om de ontwikkeling van de leerling te ondersteunen. Het is daarbij belangrijk om te beseffen dat de antroposofische visie ruim honderd jaar geleden werd beschreven. De visie geeft nog steeds richting aan het vrijeschoolonderwijs, maar dit onderwijs is inmiddels ook verrijkt met inzichten uit de actuele pedagogiek, psychologie en onderwijswetenschappen.

1 Wat is het en wat zien we?

Leerlingen hebben verschillende behoeften, afhankelijk van de ontwikkelingsfase waarin ze zich bevinden. Volgens de menskunde kunnen leraren hun eigen wezensdelen inzetten om die van de leerlingen te versterken. Om precies te zijn: leraren kunnen met een hoger wezensdeel een lager wezensdeel van de leerling beïnvloeden. Dit wordt ook wel de pedagogische hoofdwet genoemd. Dat klinkt overigens zwaarder dan het is. Het gaat niet om een harde wet die leraren moeten naleven, maar het gaat hier om een wetmatigheid die een hulpmiddel kan zijn in het onderwijs.

Mensen ontwikkelen de verschillende wezensdelen in fases. De volgorde is als volgt:

  • fysiek lichaam: laagste niveau – 0 – 7 jaar
  • etherlichaam: tweede niveau – 7 – 14 jaar
  • astraallichaam: derde niveau – 14 - 21 jaar
  • ik: hoogste niveau – rond 21 jaar

1.1 De ontwikkeling van het fysieke lichaam

Kinderen in de ontwikkelingsfase 0-7 jaar ontwikkelen hun fysieke lichaam. Ze leren bijvoorbeeld lopen en ontwikkelen motorische vaardigheden. Dat gaat het beste in een rustige, veilige en gestructureerde omgeving waar het kind vrij kan bewegen en in een eigen tempo kan leren. Dit zijn kwaliteiten van het etherlichaam. Oftewel: door voor een veilige, warme en rustige omgeving te zorgen, zet de leerkracht zijn etherlichaam in om het kind de kans te geven zijn fysieke lichaam te ontwikkelen.

Een kleuterklas van een vrijeschool ademt daarom de sfeer van een grote huiskamer. Er zijn een aantal speelhoeken, een grote tafel waaraan kan worden gewerkt en gegeten, een hoekje waarin spulletjes van het jaargetijde tentoongesteld staan en veel ruimte om te spelen. Ondanks speelruimte en spelmaterialen voor zo’n 25 kinderen oogt het er rustig, overzichtelijk en aangenaam. Totdat de kinderen gaan spelen en de ruimte doet denken aan een zoemende bijenkast. De leerkracht zit op een grote stoel op een duidelijk zichtbare plek, overziet het geheel en als er iets gebeurt, staat de leerkracht op, loopt naar de kinderen toe en probeert al zingend, met een enkel woord, of eventueel zelfs zonder woorden het spel weer in goede banen te leiden. Een belletje of een lied luidt de overgang in naar het maken van de kring. Omdat dat elke dag op dezelfde manier gebeurt, weten alle kinderen wat ze moeten doen.

1.2 De ontwikkeling van het etherlichaam

In de tweede ontwikkelingsfase (7 – 14 jaar) komt een deel van de etherkrachten vrij voor het (gestructureerde) leren. Leerlingen kunnen nu een beroep doen op hun geheugen en gewoontes ontwikkelen. Dit wordt leuker en gaat soepeler als de leraar de kinderen prikkelt met kleurrijke en boeiende lesstof. De leraar gebruikt zijn astraallichaam om leerlingen te enthousiasmeren. Door vanuit zijn enthousiasme over de wereld te vertellen, zet de leraar zijn astraallichaam in om het etherlichaam van de leerlingen te versterken.

Bijvoorbeeld: Op het bord in het lokaal van klas 3 staat een kleurrijke tekening van een grotschildering. Ernaast zijn Egyptische hiërogliefen getekend. Aan een lange waslijn hangt zelfgeschept papier te drogen en op de kast staan potjes zelfgemaakte inkt en er liggen ganzenveren. Op de stukken klei in de vensterbank hebben de kinderen in spijkerschrift hun naam geschreven. De leraar heeft verteld over de monniken die in de middeleeuwen letters versierden en er jaren over deden om een boek te kopiëren. De kinderen illustreren hun tekst met passende tekeningen en een versierde letter van zwarte inkt, aquarelverf en dun goudpapier.

1.3 De ontwikkeling van het astraallichaam

Tot slot gebruikt de leraar ‘het ik’ om het astraallichaam van de leerlingen te versterken. Dit gebeurt wanneer de leerlingen in de derde ontwikkelingsfase (14 – 21 jaar) zijn aanbeland en bestrijkt daarmee een groot deel van de middelbareschooltijd. Het is het begin van de persoonlijkheidsvorming waarbij jongeren zich aanvankelijk afzetten tegen ouders en leraren. Het is hun manier om zichzelf te ontdekken en te vormen. Leerlingen moeten leren hoe ze hun emoties, verlangens en stemmingen kunnen beteugelen. Met andere woorden: hoe ze hun astraallichaam onder controle krijgen. Leraren reageren vanuit zelfbeheersing (het ik) op impulsieve acties van de leerlingen. Ze geven het goede voorbeeld, bijvoorbeeld door de leerstof helder en doordacht uit te leggen en te laten zien hoe ze richting geven aan hun eigen idealen.

2 Wat betekent dit voor de leraar?

Hoe kunnen leraren hun wezensdelen (kwaliteiten) bewust inzetten om het lagere wezensdeel van de leerlingen te helpen ontwikkelen? Hieronder lees je enkele handvatten per ontwikkelingsfase.

2.1 Ondersteunen fysieke lichaam

De ontwikkeling van het fysieke lichaam (0-7 jaar) ondersteunen leraren met:

  • het verzorgen van ritme en regelmaat. Denk aan het dag-, week- en jaarritme. De indeling van activiteiten is bijvoorbeeld elke ochtend hetzelfde. Alle middagen hebben een vaste invulling: op maandag bijvoorbeeld schilderen op dinsdagmiddag muziek, etc.. Ook is het mogelijk om met het jaarritme te werken door in te spelen op de seizoenen. Het gebruik van seizoenstafels kan het gevoel van ritme bevorderen en de zintuigen stimuleren.
  • het verzorgen van een rustige omgeving met aangename en natuurlijke prikkels. Denk hierbij aan de kleur en vormgeving van het lokaal en houten speelgoed. In de vrijeschoolkleuterklassen zie je allerlei soorten houten bouwmateriaal en poppen gemaakt van stof. Garen gebruikt voor handwerkjes is vaak van wol of katoen. De leraren zingen veel met de kinderen of begeleiden hun zang met eenvoudige instrumenten. Het aanbieden van gezonde voeding hoort hier ook bij.
  • het verzorgen van de ruimte waarin een kind zich vrij kan bewegen en vrij kan spelen en leren. Tijdens het vrij spel biedt het lokaal ruimte om hutten te bouwen, of een zelfgemaakt circuit te maken van banken en kisten. Zo kan een kind in eigen tempo verkennen wat zijn lichaam al wel en niet kan.
  • aandacht voor de handelingen die zij verrichten. Leerlingen van deze leeftijd leren grotendeels door nabootsing. Een leerling leert bijvoorbeeld meer van een leerkracht die voor het Sint Maartensfeest ter plekke een lampion maakt, dan van een leerkracht die een zelfgemaakte lampion meeneemt. Ook al heeft deze leerkracht vorige avond uren aan de lampion gewerkt.
  • een kind laten meemaken, of liever meedoen. Bijvoorbeeld in alle stappen die nodig zijn om bijvoorbeeld brood te bakken of soep te maken. Lekker eten, dat geurig is, hoort bij het verzorgen van het etherlichaam.
  • het proberen te onthaasten en de rust te bewaren.

2.2 Ondersteunen etherlichaam

De ontwikkeling van het etherlichaam (7-14 jaar) ondersteunen leraren met:

  • het prikkelen van de nieuwsgierigheid. Ze maken gewoontes rijk en zinvol door er gevoelsaspecten aan te verbinden. Een voorbeeld uit de praktijk: de leraar was niet tevreden over hoe de leerlingen tijdens hun klassendienst het lokaal veegden. Ze liet alle kinderen met hun stoeltje bovenop de tafels zitten en veegde de klas terwijl ze vertelde wat ze allemaal wel niet tegenkwam. De hoeveelheid stof werd gewogen op de keukenweegschaal. Vanaf dat moment werd het vegen een sport.
  • beeldende verhalen. Door verhalen die aansluiten bij hun ontwikkeling krijgen leerlingen een gevoelsmatig begrip voor morele zaken. De oudtestamentische verhalen en de verhalen uit de Edda lenen zich hier goed voor, maar ook andere verhalen uit verschillende culturen zijn erg bruikbaar. Zie hier voor het thema Verhalen[MOU6.1].
  • kleur, melodie en het ritme van muziek, kunstzinnige activiteiten en verwerkingsvormen.
  • de verbinding van de lesstof aan iets wat de kinderen zelf kunnen beleven. Bijvoorbeeld de topografie van de provincie oefenen aan de hand van de plaatsen waar kinderen of hun opa’s en oma’s wonen, of aan de plaatsen die ze tegenkomen onderweg van en naar school.
  • het vieren van de jaarfeesten. Dit verrijkt het beleven van de seizoenen, tijd en natuur.
  • lessen waarin gevoel en emotie zijn verwerkt.
  • het tot leven van brengen van bijvoorbeeld de kou van de polen en de klamme vochtige atmosfeer in een oerwoud. Of de tere mossen en de bulderende waterval van Schaffhausen.
  • het inzetten van strengheid, verbazing, vreugde, geheimzinnigheid en boosheid als instrumenten wanneer ze leerlingen aanspreken op hun gedrag. Het is belangrijk dat leraren deze emoties bewust gebruiken en ermee kunnen spelen om hun lessen krachtiger en boeiender te maken.

2.3 Ondersteunen astraallichaam

De ontwikkeling van het astraallichaam (14-21 jaar) ondersteunen leraren met

  • kennis van en enthousiasme voor hun vakgebied zijn. Leerlingen zijn op deze leeftijd op zoek naar authenticiteit.
  • rust, zelfbewustzijn en humor.
  • het stellen van grenzen en door leerlingen eraan te helpen herinneren zich te focussen, te helpen met plannen en zelfstandig te laten werken.
  • zelfbewustzijn. Leerlingen ontwikkelen op deze leeftijd hun zelfbeheersing verder en kunnen daarbij kijken naar de leraren als voorbeeld.
  • een voorbeeld te zijn voor hoe je met anderen, in dit geval collega’s, samenwerkt.

2.4 De eigen wezensdelen versterken

Het kan zijn dat leraren een of meerdere van hun eigen wezensdelen willen versterken. Dit kan bijvoorbeeld helpen in hun onderwijs of energie geven.[I] Elk wezensdeel heeft iets anders nodig om sterker te worden.

[I] Pronk, H. (2015). Is de kast leeg? Amsterdam: Uitgeverij Pentagon.

2.4.1 Het etherlichaam versterken

Het etherlichaam kan op twee manieren worden gevoed: via de natuur en via de cultuur. Natuur kan hier breed worden opgevat. Het gaat om alles rondom de zorg voor de algemene gezondheid en om ritme. Denk aan een gezond waak- en slaapritme, maar ook het ritme van de dag, de week en het jaar. Het gaat om de balans tussen inspanning en ontspanning. Opladen in de natuur of bezig zijn met zaken van totaal andere aard dan het dagelijks werk. Nog een manier om het etherlichaam gezond te houden is het ‘handcontact met de aarde’. Dit omvat ambachtelijke activiteiten als tuinieren, brood bakken, spinnen en houtsnijden.

Bij de voeding van culturele aard kun je denken aan een bezoek aan een museum of een theater, het bespelen van een instrument, schilderen of tekenen. Ook het werken met betekenisvolle teksten of beelden kan voedend zijn. Beelden uit een sprookje of mediteren kan helpen om hernieuwde energie te vinden.

2.4.2. Het astraallichaam versterken

Het astraallichaam wordt gevoed door onbevooroordeeld naar de wereld (en de leerlingen) te kijken. Daardoor ontstaat er ruimte om emoties zonder oordeel te ervaren en te verwerken en om op een gezonde manier om te gaan met eigen gevoelens en die van anderen. Het vraagt om stil te staan bij de eigen sympathieën, antipathieën en voorkeuren. In de context van het onderwijs kunnen leraren bijvoorbeeld steeds opnieuw de vraag stellen: wat houdt deze leerling bezig? Wat wil het ontwikkelen? Wat houdt het tegen?

2.4.3 Het ik versterken

Het ik blijft gezond door vanuit eigen idealen te leven. Bezig zijn met die dingen waar je intrinsiek voor gemotiveerd bent, helpt om vitaal te blijven. Deze drijfveren zijn op te sporen door vragen te stellen als: Waar word ik enthousiast van? Waar sta ik voor? Wat wil ik bereiken in de wereld en wat vraagt de wereld van mij? Daarnaast is terugblikken of reflecteren een instrument om passies en drijfveren op te sporen. Een eenvoudig begin is een terugblik op de dag met de vraag: welke waardevolle ontmoeting had ik vandaag? Of wat liep anders dan verwacht en wat leverde dat op? Door met de blik van een buitenstaander terug te kijken op de dag of op eerdere ervaringen is het vaak mogelijk om ontmoetingen en momenten op te sporen die wijzen op wat voor jou echt belangrijk is.

Literatuur

  • Boogerd. C. (2010). Het etherlichaam als pedagogisch instrument. Assen: Uitgeverij Nearchus (vooral voor de leeftijd 0-7 jaar).
  • Dam van J. (2018). De pedagogische wet. Amsterdam: Uitgeverij Pentagon.
  • Steiner, R. (1985). Tweede voordracht, in Heilpedagogische cursus. Zeist: Uitgeverij Vrij Geestesleven.
  • Wember. V. (2019). De pedagogische hoofdwet, in Sociale vaardigheden in de Waldorfpedagogie. Amsterdam: Uitgeverij Pentagon.