Op de vrijeschool krijgen kinderen aan het einde van elk schooljaar een getuigschrift. Daarin is er naast de vorderingen die de leerling maakt per vakgebied, aandacht voor de persoonlijke ontwikkeling. Een getuigschrift is een korte schets van de ervaringen die de leraren in de loop van het jaar binnen en buiten de klas met de leerling hebben opgedaan. Daarnaast bevat het getuigschrift (meestal) een gedicht of spreuk voor de leerling. Dit thema gaat over wat het getuigschrift precies is en hoe het aansluit bij de vrijeschoolvisie. In de laatste paragraaf zijn handvatten voor leraren opgenomen.
Bij het lezen van dit thema is het goed te beseffen dat scholen en leraren het getuigschrift naar eigen inzicht vormgeven. Sommige pakken het groot aan, andere kiezen voor een eenvoudigere aanpak. Hierin bestaat geen goed of fout. Er zijn meerdere manieren om hetzelfde doel te bereiken: zicht geven op de brede ontwikkeling van de leerling.
Op de vrijeschool staat de brede ontwikkeling van de leerling centraal. Kort samengevat wil dat zeggen dat er niet alleen aandacht is voor het hoofd, maar ook voor het hart en de handen: de sociale en emotionele ontwikkeling. Al ruim honderd jaar geleden stelde Steiner, oprichter van de vrijeschool, dat die brede ontwikkeling lastig in cijfers te vangen is. Er is een andere taal nodig om een volledig beeld te schetsen. Deze gedachte leidde tot een idee van een verslag, waarin leraren een korte schets geven van hun ervaringen met de klas en de leerling, in woord en in beeld.
Honderd jaar later ontvangen leerlingen nog steeds een getuigschrift. Op de basisschool omvat het getuigschrift twee delen: een deel voor de ouders en een deel voor de leerling. De leerling krijgt het gedeelte met de spreuk. De ouders krijgen het deel met een weergave van de ervaringen en ontwikkeling. Op de middelbare school ontvangen leerlingen en ouders hetzelfde document.
De inspiratiebron voor het getuigschrift is vaak de lesstof van het leerjaar of het onderwerp waar de klas mee bezig is geweest. Dit is zowel op de basisschool als in het voortgezet onderwijs zo. Denk aan het thema dierkunde in klas 4, sterrenkunde in klas 7 of een fragment uit de Parcivalperiode voor klas 11.
Zoals gezegd bestaat het getuigschrift op de basisschool uit twee delen.
In het deel voor de ouders delen leraren hun waarnemingen over de ontwikkelingen van de leerling. Vanuit de visie van de vrijeschool werken ouders en leraren namelijk nauw samen bij de opvoeding van de leerling. Samen hebben zij de taak om de optimale ontwikkeling van de leerling mogelijk te maken (zie de bouwsteen Verbinding).
Het ouderdeel bestaat uit een algemene omschrijving van de leerling, aangevuld met de vorderingen per vakgebied. Deze vorderingen worden zoveel mogelijk zonder oordeel beschreven. Het ouderdeel is speciaal gericht aan de ouders. Vaak adviseren scholen en leraren om de leerling de woorden niet letterlijk te laten lezen, maar in eigen woorden een samenvatting van de inhoud te geven.
Tibbe maakt een opgewekte indruk. Hij geeft juf in de ochtend altijd vriendelijk lachend een hand. Dan gaat hij naar zijn plaats en kijkt wat er aan werk voor hem klaarligt. In de eerste minuten is Tibbe ook bezig met een praatje links en rechts. Wanneer het geroezemoes in de klas verstomt, wordt ook hij stil en focust hij zich op zijn taak.
Tibbe is af en toe een beetje verstrooid of afgeleid maar meestal is hij bij de les. Hij geniet zichtbaar van het leren rekenen en lezen. Tibbe kan de leerstof van klas 1 goed aan.
Tibbe raakt niet vaak in een conflict verzeild. Gebeurt dit wel dan kan hij heel goed verwoorden waar het volgens hem misging en wat zijn aandeel daarin was. Dan is het conflict ook snel weer uit de lucht. Tibbe blijft zelden in boosheid hangen. Hij heeft een lichtheid bij zich die aanstekelijk werkt. Hij oogt tevreden, vergevingsgezind en schrikt niet van een streng woordje van de leraar. Integendeel, een welgemeend ‘Oh sorry’, maakt dat je nooit lang boos kunt blijven op Tibbe.
Met rode wangen rent Tibbe over het schoolplein. Hij speelt intensief samen. Ook tijdens keuzemomenten in de klas kiest hij voor samenspel; de knikkerbaan, kapla, samen een stoomboot voor Sinterklaas knutselen. Tibbe heeft tijdens het samenspel ook oog voor de ander. Ziet hij dat er een kind het niet fijn heeft, geplaagd wordt of pijn heeft, dan zal hij dat aangeven bij de leraar want dat moet opgelost worden.
Het deel voor de leerling, ook wel het kunstzinnige deel genoemd, bestaat uit een geschreven beeld, meestal een spreuk of een gedicht en vaak een illustratie. Dit deel is bedoeld om een blik op de toekomst te werpen. Het geschreven beeld, meestal gekozen uit bijvoorbeeld de vertelstof van het afgelopen jaar, is een figuurlijk beeld van de leerling of een wens aan of voor de leerling. Omdat het beeld speciaal voor de leerling geschreven is, kunnen kinderen zich gezien voelen door de leraar. Bovendien kan de inhoud op een diepere laag doorwerken.
Op de basisschool leren kinderen de spreuk vaak uit het hoofd om deze in het komende schooljaar op een vaste dag in de week voor de klas voor te dragen. Het idee daarachter is dat de herhaling de doorwerking versterkt. Bovendien hebben klanken en ritmes vaak een activerende of juist rustgevende werking waarvoor het hardop uitspreken belangrijk is. Leraren gebruiken bewust beeldende taal in het getuigschrift. Dit geeft leerlingen de mogelijkheid (onbewust) een eigen interpretatie te geven aan de inhoud. Op die manier geven het beeld en de spreuk de leerling een ontwikkelingsmotief mee voor het komende schooljaar.
Bijvoorbeeld: Een jongetje uit klas 1 was snel van de kaart. Toch wilde hij maar wat graag meespelen met de stoere kinderen. De leraar zag hem regelmatig vechten tegen zijn tranen. Voor hem schreef zij de spreuk:
En als je dan niet durft
Dan doe je maar alsof
Je pakt je zwaard en proviand
En je klimt op je ros
Dan roep je hard: ik kom eraan!
En geeft je paard de sporen
Iedereen wijkt snel uiteen
Een ridder is geboren
In het voortgezet onderwijs is de variatie aan vormen van getuigschriften groot. De leerlingen krijgen nu vaak meerdere keren per jaar een rapport en ontvangen het getuigschrift aan het einde van het jaar. Meestal verzorgt de mentor(en) daarvoor een tekst en/of een illustratie. Op sommige vrijescholen krijgt elke leerling een persoonlijke beschrijving. Anderen kiezen voor eenzelfde tekst of afbeelding voor alle leerlingen van de klas. Dit kan ook per leraar of mentor verschillen.
In het voortgezet onderwijs is er geen speciaal ouderdeel. De leerling wordt nu oud genoeg geacht om (samen met de ouders) te reflecteren op de eigen ontwikkeling. Naarmate de leerling ouder wordt, wordt hij meer eigenaar van zijn eigen ontwikkelproces.
Aan het einde van de middelbare schoolperiode krijgen leerlingen een eindgetuigschrift. Afhankelijk van wanneer het eindexamen valt, is dit aan het einde van de tiende (mavo), elfde (havo) of twaalfde (havo/vwo) klas. Het is goed om te beseffen dat het getuigschrift geldt als afsluiting van de vrijeschooltijd en dat dit naast een eventueel diploma gegeven wordt.
Het eindgetuigschrift bestaat in de meeste gevallen uit een korte beschrijving van het leerplan dat de leerling in de middelbareschooltijd heeft gevolgd. Ook nu ontvangen de leerlingen een geschreven tekst waarin de ontwikkeling van de leerling gedurende de tijd op school centraal staat. Deze karakter- of ontwikkelingsschets wordt veelal verzorgd door de klassenmentor(en). Op sommige vrijescholen wordt het werk verdeeld en schrijven ook vakleraren de getuigschriften, bijvoorbeeld de leraar die het eindwerkstuk van de leerling begeleidde. Vaak zijn er voorafgaand aan het schrijfproces klassenbesprekingen waarin de vakleraren hun ervaringen en observaties met de klas en leerlingen delen. Soms krijgt de biografie van de klas ook een plek in de geschreven tekst.
Voor veel leraren, ouders en leerlingen is het getuigschrift een waardevolle weergave van hoe leerlingen op school worden ervaren. Daardoor kan het maken van de getuigschriften voor leraren een verantwoordelijke en tijdrovende klus worden. Het kan leraren dan helpen om terug te gaan naar hoe het getuigschrift oorspronkelijk is bedoeld: niet als een uitgebreid kunstwerk zoals het op sommige scholen is geworden, maar als een terugkoppeling naar ouders en leerling waarin leraren hun observaties delen. Ook als kunstwerken die collega’s in het verleden maakten anders doen vermoeden.
Het is daarbij goed om te weten dat veel scholen een eigen gids hebben waarin de richtlijnen staan die de school hanteert bij het maken van het getuigschrift. Zo’n huisstijl kan helpen om met vaste elementen een tekst te schrijven.
Het beschrijvende deel begint vaak met een kort overzicht van wat het afgelopen jaar is gedaan in de klas en de belangrijke momenten. Dit kan voor alle leerlingen hetzelfde zijn. Daarna beschrijven leraren wat ze hebben gezien bij de leerling. Dit doen ze zonder oordeel, positief, opbouwend, maar wel eerlijk. Op de basisschool wordt dit deel dus (in de eerste plaats) geschreven voor de ouders, op de middelbare school richten leraren zich (in de eerste plaats) tot de leerling.
Het kan leraren helpen om vaste richtvragen te gebruiken om het denken, voelen en willen van de leerlingen te beschrijven. Dit soort vragen maken het gemakkelijker om de brede ontwikkeling van leerlingen in woorden te vatten. Bijvoorbeeld:
Denken
Bij de ontwikkeling van het denken passen vragen: denkt de leerling associatief of analytisch? Wat voor soort vragen stelt de leerling, zijn dat vooral weet-vragen of juist denk-vragen? En hoe is de ontwikkeling van het lezen en rekenen, enzovoort?
Voelen
Om de ontwikkeling van het voelen te duiden valt te denken aan vragen als: hoe is de kunstzinnige expressie van de leerling en de omgang met emoties? Kan de leerling zich verbinden met de ander? Als de school gebruikmaakt van een leerlingvolgsysteem voor de sociaal-emotionele ontwikkeling kan ook die informatie een waardevolle bron zijn.
Willen
Tot slot gaat het bij het beschrijven van ontwikkeling van de wil om vragen als: toont de leerling doorzettingsvermogen? Hoe ontwikkelt de grove en fijne motoriek zich en is de leerling leidinggevend en initiatiefrijk of juist volgend en afwachtend?
Op de basisschool voegen leraren tot slot soms nog concrete vorderingen per vak toe. Op de middelbare school ontvangen leerlingen bijna altijd een rapport en beperken vakdocenten zich vaak tot een enkele zin.
Opvallend is de toewijding waarmee je het schoolwerk aanpakt. Opdrachten te laat inleveren lijkt voor jou geen optie. Ook je oog voor detail wordt door je docenten opgemerkt. Onthoud wel dat het niet allemaal perfect hoeft te zijn, hè?
Het begin van dit jaar was in sociaal opzicht niet altijd even gemakkelijk voor je. Je lijkt gebaat bij een kleine groep vriendinnen met wie je kunt lachen en bij wie je steun vindt als dat nodig is. Je lijkt een nieuwe, vertrouwde plek in de klas gevonden te hebben.
Feedback is het meest waardevol wanneer deze concreet en opbouwend is en voortkomt uit wat een leraar daadwerkelijk bij een leerling heeft gezien of meegemaakt. Het gaat daarbij om het beschrijven van gedrag, zonder de leerling met dat gedrag te vereenzelvigen. Leraren schrijven bijvoorbeeld: ‘Ik merkte dat je tijdens de les regelmatig werd afgeleid’ in plaats van ‘Je bent snel afgeleid’.
Ook de persoonlijke mening van de leraar hoort niet centraal te staan. Een uitspraak als ‘Ik vond je een gezellige leerling’ zegt vooral iets over de ervaring van de leraar. ‘Je had zichtbaar plezier tijdens de lessen’ beschrijft daarentegen wat bij de leerling werd waargenomen.
Een getuigschrift wordt het best afgesloten op een vriendelijke, maar zakelijke en neutrale manier. Een persoonlijke afsluiting zoals ‘Groetjes, Barend’ past daarom minder goed.[I]
[I]Geert Groote College Amsterdam (2024). Ontwikkelingsschets/Karakterschets.
Met de spreuk of de metafoor doen leraren iets bijzonders: ze zetten de ontwikkeling die ze hebben waargenomen om in beeldspraak. In woorden en/of met een afbeelding. Het vinden van zo’n beeld of metafoor kan lastig zijn. Enkele tips die kunnen helpen bij het maken (of vinden) van de spreuk:
Beelden hebben een toegevoegde waarde wanneer zij de leerling een boodschap meegeven. Een hint over de richting waarin zij zich kunnen ontwikkelen. Voor een wat dromerige leerling koos de leraar bijvoorbeeld voor het beeld van een zonnebloem met een duidelijke boodschap:
Zonnebloem wat reik je hoog
naar de gouden hemelboog
ik weet nog goed dat je begon
blad voor blad richting de zon
Plant ook je voeten heel vast in de aarde
geef haar het zonlicht dat jij ooit vergaarde.
Uit: Spreuken van Carin Schripsema, Groningen.
Omdat de leerling de spreuk vaak uit het hoofd leert en nog langere tijd opzegt, is het handig om rekening te houden met ritme en rijm. Afgestemd op het karakter van de leerling kun je werken met klanken en ritmes die activerend werken of juist een meer rustgevende werking hebben.
Werken met vorm kan op verschillende manieren. Wanneer leraren zelf de spreuk schrijven, kunnen zij op verschillende manieren werken met klank en ritme. Deze leraar van klas 5 koos ervoor om een spreuk van vijf regels telkens te beginnen met ‘Ik ben’. Hij vervolgt met de naam van de god of godin uit de Griekse mythologie en geeft tot slot een korte, kenmerkende omschrijving van de leerling. Waarom de leraar telkens met ‘Ik’ begon? Omdat dit goed past bij de ontwikkelingsfase van een vijfdeklasser:
Ik ben Io, uitverkoren door Zeus
Beroofd van mijn stem,
Maar niet van mijn verstand
Schrijf ik met mijn hoeven
Mijn naam in het zand,
Lees dan wie ik ben
Hoewel leerlingen in het voortgezet onderwijs geen spreuken meer uit het hoofd leren en opzeggen, kunnen uitspraken of citaten ook nu nog goed werken. In de elfde klas is het fenomeen ‘paradox’ bijvoorbeeld een terugkerend thema. Veel leerlingen ontwikkelen rond die tijd een gevoel of besef voor dit fenomeen. Ze leren dat een persoon niet slecht of goed is, maar beide tegelijkertijd kan zijn. Leraren kunnen elke leerling een oneliner meegeven, bijvoorbeeld:
Lichtheid is een serieuze zaak
Je hebt houvast nodig om los te laten
Door afstand te nemen, kun je dichterbij komen
Als je jezelf wilt leren kennen, kijk dan naar de wereld
Mogelijkheden scheppen verplichtingen
In plaats van een one-liner, citaat of gedicht, kunnen leraren ook kiezen voor een beeldend verhaal. Hier een voorbeeld van zo’n tekst voor alle leerlingen aan het einde van de tiende klas die dat jaar op zeilreis gingen. De leraar gebruikte steeds dezelfde opbouw voor de eerste zinnen van de alinea’s en vulde de rest aan met informatie die voor de betreffende leerling gold. Zo’n format is erg handig als er dertig teksten geschreven moeten worden. Het zorgt voor teksten van gelijke lengte, inhoud en waarde.
Beste … ,
Langzaam ging de wereld weer een beetje open en stapje voor stapje kwam ook jij weer tevoorschijn. Tijd om de kleine meren van de middenbouw in te ruilen voor het tumult van het grote water: de bovenbouw. Legde je in de voorgaande jaren nog als groep dezelfde route af, dit jaar bepaalde je steeds meer zelf je koers. Waar zet jij de stip op de horizon, hoe bepaal je je koers en hoe houd jij je staande bij een harde wind? Het waren de vragen die dit jaar centraal stonden.
Voor het eerst volgde je een volledig jaar de profielvakken die je zelf op je route uitstippelde. Je ontdekte de zonnige kanten van jouw keuze en leerde tegelijkertijd dat het niet altijd een soepele vaart bij mooi weer is. De ene haven is nu eenmaal wat moeilijker te bereiken dan de andere. En dat dat helemaal niet erg is. Tegenwind vertraagt je snelheid of dwingt je af te wijken van je route, het hoort erbij. Zolang je vertrouwt op je vaarkunsten, tem je vroeg of laat ook de hoge golven.
Zeilen doe je niet alleen. Om je bestemming droog en heelhuids te bereiken, zul je moeten samenwerken met de mensen om je heen. De zeilers met wie je de boot deelt, maar ook met de andere bootjes die richting hun eigen doel navigeren. Het grote water vraagt om nieuwe samenwerkingen. Op de koers die je koos, varen dit jaar andere zeilers met wie jij je moet zien te verhouden. Op je boot is het goed samenwerken om tegen de tegenstroom van grote schepen op te boksen. Ondertussen is het cruciaal dat je de kleine bootjes om je heen in de gaten houdt zodat ze niet verzuipen onder j́ouw kracht. Samen dragen jullie de verantwoordelijkheid. Alleen door oog te hebben voor elkaar, ieders koers te respecteren en samen de hoge golven te trotseren, bereik je droog en veilig de haven.
Nu, aan het einde van een tumultueus jaar, ben je aangemeerd. Veilig en droog. We wensen je een fijne zomer waarin je niet constant alert hoeft te zijn en kunt genieten van het uitzicht op een kalme zee. Volgend jaar varen we graag weer met je uit om een volgende bestemming te bereiken.
Fijne zomer!
In Nederland is een traditie ontstaan van uitgebreide kunstwerken die de spreuk verbeelden. Er zijn leraren die daar hun ziel en zaligheid in leggen. Maar ook regelmatig klinkt in scholen de discussie: is het reëel om daar zoveel tijd en moeite aan te besteden? Om de knuppel in het hoenderhok te gooien: oorspronkelijk werden er geen illustraties bij de getuigschriften gemaakt.[III] Het kan dus zeker zinvol zijn om hierover in gesprek te gaan met het team.
Widar Vrijeschool in Groningen nam bijvoorbeeld na zo’n discussie in haar protocol getuigschriften op: “de versiering is in wezen een bijzaak en kan, afhankelijk van wat een leraar wil, een tekening zijn of een kleurige achtergrond. Door de loop der jaren zijn zeer veel verschillende vormen van versiering toegepast.”
Veel leraren hebben hierin hun eigen weg gevonden. Zij zijn in staat om met weinig middelen en in afzienbare tijd een passende illustratie voor ieder kind te maken. Bijvoorbeeld door met een sjabloon, template of stempels te werken. En een bestaande afbeelding gebruiken is ook geen zonde. Sommige scholen maken de illustratie tot slot met het hele team samen, zodat het werk verdeeld wordt.
[III] Witvliet, P. H. A., 2024, maart.
Bij het schrijven van een karakterschets is het de opgave om een goed beeld van het karakter van de leerling in een pakkende beschrijving of sfeerbeeld om te zetten. Maar hoe krijgen leraren dat beeld van de leerling helder genoeg?
Ervaring leert dat het relatief makkelijk is om in algemene termen over een leerling te spreken. Bijvoorbeeld: de leerling is ‘een stille leerling’, of de leerling is ‘een actieve leerling’. Een karakterschets die hierop gebaseerd wordt, blijft vaak wat algemeen en mist de nuance, de eigen kleur die deze specifieke leerling aan het stille of het actieve geeft.
Daarom kan deze synoniemenlijst een hulpmiddel zijn. Niet om dan het juiste alternatieve woord te vinden, maar om de eigen gedachten over de leerling tot een scherper beeld te ontwikkelen. Bijvoorbeeld: bij de wat algemene term stil.
Methodisch kun je dus als volgt te werk gaan. Vanuit een eerste indruk kijkt de leraar naar verschillende woorden die daarbij passen. Een leerling die bijvoorbeeld rustig is, kan ook afwachtend, oplettend, observerend of juist nuchter zijn. Door die nuances te bekijken, ontstaat een duidelijker en persoonlijker beeld van de leerling. Dat beeld kan vervolgens helpen om een karakterbeschrijving te maken. Daarbij kan een beeldspraak worden gebruikt, bijvoorbeeld een uitkijk in het kraaiennest: iemand die rustig om zich heen kijkt, goed observeert en pas reageert als dat nodig is.
Ook kan de leraar een concreet moment uit een periode, werkweek of andere activiteit gebruiken waarin bepaalde eigenschappen duidelijk naar voren kwamen. Zo wordt de beschrijving persoonlijker en herkenbaarder.
