Het liefst geef ik de leerlingen de moeilijkste vragen waar ze eerst alleen en met elkaar mee aan de slag gaan. Pas na zelf te onderzoeken en te sparren met hun klasgenoten, geef ik de uitleg of oplossing.Judith Weeteling, Geert Groote College Amsterdam.
Het doel van het vrijeschoolonderwijs is leerlingen opvoeden tot volwassenen die beschikken over een helder denkvermogen (hoofd), een evenwichtig gevoelsleven (hart) en wilskrachtig en creatief handelen (handen). Het handelen van de leraar is hierbij essentieel. Hoe zorgen leraren dat de leerling in beweging komt en wat betekent het om leerlingen aan te spreken in hoofd, hart en handen? Daarover gaat het in deze bouwsteen.
Om met de definitie te beginnen:
Didactiek en pedagogiek kunnen binnen het vrijeschoolonderwijs niet zonder elkaar bestaan. Juist in het samenspel van didactiek en pedagogiek schuilt het kunstenaarschap van de leraar. Zoals een kok het eten bereidt zodat het lichaam de voedingsstoffen goed op kan nemen, zo maakt de leraar de leerstof toegankelijk en bruikbaar voor de leerling door zijn pedagogisch-didactisch handelen. En omdat in de vrijeschool de leerstof als ontwikkelingsstof wordt gezien, wordt de verbinding tussen pedagogiek en didactiek nog sterker.
Het waarom van het pedagogisch-didactisch handelen hangt samen met de antroposofische visie op leren en ontwikkelen van kind tot volwassene. Deze visie gaat zowel in op het doel van onderwijs als op het ‘hoe’ van leer- en ontwikkelingsprocessen. Het doel van het onderwijs is het onderwijzen tot volwassenen met een helder denkvermogen, evenwichtig gevoelsleven en wilskrachtig handelen. Met oordeelsvermogen voor nieuwe situaties en met belangstelling en verantwoordelijkheidsgevoel voor de wereld en de ander. Een volwassene tot slot met inzicht in eigen talenten en leerpunten en het besef altijd lerende te zijn.
Hoewel de leraar een zekere mate van autonomie heeft in het pedagogisch-didactisch handelen, delen vrijescholen vaak de volgende uitgangspunten:
Wanneer je wilt bijdragen aan de persoonsvorming en sociale vorming van een kind, is een positief pedagogisch klimaat essentieel. Alleen dan voelen leerlingen zich veilig en gewaardeerd en ontstaat er ruimte voor leren en ontwikkelen. Zo’n positief pedagogisch klimaat valt of staat met het contact tussen de leraar en de leerlingen. Dat is ook de reden dat er op de vrijeschool veel aandacht is voor verbinding: van een begroeting bij de deur tot het meerdere jaren als mentor verbonden zijn aan één klas. Ook de kind-en leerlingbesprekingen zijn een voorbeeld van de investering in een gezonde pedagogische relatie.
De leraar doet ertoe. In de eerste jaren bootsen kinderen het handelen na, in latere jaren kijken ze door de ogen van de leraar naar de wereld en spiegelen ze zich in de oordelen van de leraar. Als die leraar zich laat zien als een lerend mens, krijgen de leerlingen dit als voorbeeld. Daarom moet de leraar vrij zijn om vanuit inzicht in de leerstof, de klas en de kinderen vondsten te kunnen doen die bij de persoon van de leraar passen. Iedere leraar geeft zichzelf tijdens het lesgeven.
Zoals gezegd gaan pedagogiek en didactiek op de vrijeschool hand in hand. De leraar gebruikt de leerstof om de ontwikkeling van leerlingen te stimuleren. De leerstof is daarom ook geen doel op zich, maar iets waardoor de leerlingen zich verder kunnen ontwikkelen (zie ook curriculum). Daarom is het wenselijk dat het leerstofaanbod in de eerste plaats breed is én aangepast aan de ontwikkelingsfase van de leerlingen (zie ontwikkelingsfasen). Minstens net zo belangrijk is dat wat aan inzicht, enthousiasme en vondsten uit de leerlingen tevoorschijn komt. Geen vat vullen dus, maar een vuur ontsteken.
De lessen en het handelen van de vrijeschoolleraar dagen de leerlingen daarom uit tot een denken dat doordrongen is van gevoel. Ze trainen de wilskracht en vragen om eigen inbreng, creatief denken en handelen van de leerling. Kortom: onderwijs met én voor hoofd, hart en handen. Het leerproces is een samenwerking van deze drie gebieden. Daarom richt het onderwijs zich op het actief bieden van ruimte voor zelfstandig, creatief handelen (willen), ervaren (voelen) en begrijpen (denken). Denk aan lessen waarbij leerlingen tijdens het verwerken van de lesstof niet alleen iets over de wereld leren, maar ook zichzelf leren kennen.
Daarnaast bieden lessen de mogelijkheid voor de leerlingen om de stof te verbinden met hun eigen ervaringen. Het doel van deze werkwijze is om vanuit de lesinhouden en gezamenlijke activiteiten, via beleving en kunstzinnige verwerking toe te werken naar begripsvorming, kennisverwerving en creatief denken en handelen. Of zoals een leerling uit de elfde klas het formuleerde: 'We mogen veel zelf ontdekken, je kunt je eigen twist eraan geven, ik ervaar vrijheid omdat ik creativiteit en ideeën kwijt kan.'
Wanneer leraren beelden of metaforen gebruiken, laat dat ruimte om de betekenis en het begrip in de loop van de tijd bij te schaven. Het begrip kan meegroeien met de leerling en de leerling kan er steeds weer een nieuwe betekenis aan toekennen.
Door leerlingen zelf fenomenen te laten bestuderen, trainen zij het waarnemen en (na)denken. Ook oefenen zij de wil: de leerstof wordt niet in hapklare brokken aangeboden maar de leerlingen moeten doorzetten, ook als het antwoord even op zich laat wachten. Zo leren zij nieuwsgierig en onderzoekend in het leven te staan en zich met de wereld te verbinden. En als zij zich verbonden voelen met de wereld, dan zullen zij ook eerder de behoefte voelen om de wereld te beschermen en er goed voor te zorgen.

Leraren streven ernaar de leerlingen steeds de wereld te laten ontdekken vanuit het geheel. Zo kunnen leerlingen doordrongen raken van het besef dat zij onderdeel zijn van een groter geheel. Door steeds het geheel voor ogen te houden, en hoe verschillende onderdelen met elkaar samenhangen, kan ook een sociaal besef ontstaan.
De vrijeschoolpedagogiek gaat uit van de antroposofische menskunde. Deze omvat ideeën met betrekking tot biologische processen en hun relatie ten opzichte van leerprocessen. Dit gaat onder andere over slapen en waken, over de ademhaling, over de zintuigen en het waarnemingsproces, over levensfuncties en denkprocessen. Voor leraren kan dit gedachtengoed een rijke bron vormen.
Deze paragraaf beschrijft in vogelvlucht de pedagogisch-didactische handelwijzen die voortvloeien uit de visie en uitgangspunten van het vrijeschoolonderwijs. De beschreven werkwijzen zijn bedoeld als richting, niet als recept of handelingsprotocol. Ze vragen steeds om een afweging van de leraar in de praktijk.
Het is niet voor niets dat de vrijeschoolleraar de leerlingen al direct bij de deur begroet. Het contact tussen leraar en leerling is namelijk van groot belang. In de bouwstenen verbinding en onderwijs van mens tot mens wordt het element van verbondenheid verder uitgewerkt.
Het is je misschien opgevallen dat vrijeschoolleraren niet vanzelfsprekend uit een lesboek werken. Veel lessen ontwikkelen zij zelf, waarbij ze hun eigen talenten en vermogens inzetten. Dit draagt bij aan een directer en persoonlijker contact met de klas en maakt het mogelijk om aan te sluiten bij de mogelijkheden, vragen en interesses van de leerlingen. Tegelijkertijd zien leerlingen een leraar die zelf blijft zoeken, leren en scheppen. Een mens die niet alles weet of perfect is, maar zich blijft ontwikkelen.
Zelf lesmateriaal maken kan een pittige taak zijn, zeker voor een beginnende leraar. Het hoeft ook niet allemaal in één keer goed of af te zijn. Zoals Frank de Kiefte zegt: “Je mag ploeteren.” Samenwerken, materiaal lenen van collega’s en inspiratie zoeken helpen om stap voor stap verder te komen. Er is bovendien niet één manier waarop het op de vrijeschool moet. Binnen de kaders van de schoolvisie, de wettelijke eisen en de kerndoelen van de overheid zoekt de leraar steeds naar een passende vorm. De leerlingen, het vak en de pedagogisch-didactische uitgangspunten vormen daarbij de belangrijkste inspiratiebronnen. Wanneer een leraar zich door de kinderen en door de achtergronden van het onderwijs laat inspireren, ontstaat ruimte voor een scheppende manier van werken. Dan wordt pedagogie kunst: dat is de kern van kunstzinnig onderwijs.
Kompas sprak in 2019 met Frank de Kiefte naar aanleiding van zijn publicatie 'De kunst van de didactiek'. Frank is verbonden aan de Vrijeschool Pabo in Leiden waar hij de vakken Nederlands, didactiek en pedagogie verzorgt. Frank geeft ook les aan zij-instromers.
Vrijeschoolleraren werken vaak zo dat leerlingen de leerstof niet alleen opnemen, maar deze ook verwerken en zich eigen maken. Dit kan bijvoorbeeld door leerlingen zelf teksten te laten schrijven voor hun periodeschrift, eerst door over te schrijven en later door steeds meer eigen formuleringen te gebruiken. Niet alles hoeft daarbij bewaard te blijven; ook tijdelijke, onderzoekende activiteiten kunnen onderdeel zijn van het leerproces. Zo kan een klas bijvoorbeeld de loop van de Rijn met klei uitbeelden of een zesdeklasser over het plein marcheren als in Romeinse slagordes.
Het vrijeschoolonderwijs gaat uit van de idee dat de opgroeiende mens leert van het voorbeeld van de opvoeder, de leraar. Welke voorbeeldrol dit precies is, verschilt per leeftijdsfase van de leerlingen. Ieder mens en dus ook iedere leraar heeft een eigen stijl, een eigen taal, een eigen ‘handschrift’. Interessant is om te bedenken dat een voorbeeldrol nog sterker is als de leraar bewust vaardigheden of eigenschappen probeert te verbeteren: een krachtig voorbeeld van de lerende mens Hierover lees je meer in de bouwsteen Onderwijs van mens tot mens.
In de bouwstenen Ontwikkelingsfasen en Curriculum wordt uitvoerig ingegaan op de relatie tussen ontwikkelingsfases en het pedagogisch en didactisch handelen van de leraar

Het werken met hoofd, hart en handen gebeurt zowel in de vaklessen als in het periodeonderwijs. Leraren zijn zich bewust van de drie gebieden en streven ernaar het meest passende evenwicht te vinden tussen de drie gebieden én deze met elkaar te verbinden. Een voorbeeld van hoe een leraar dit doet tijdens een periode Sterrenkunde (klas 7) als de leerlingen naar buiten gaan om zich te verbazen over de overdonderende hoeveelheid aan sterren. De leraar wil de leerlingen ‘voorbereiden’ op wat zij gaan zien en vertelt over de Oude Grieken en hoe zij in de sterren een weerspiegeling van het menselijke leven zagen. Hij vertelt over de constellatie Cassiopeia die door de Grieken werd gezien als troon van de ijdele koningin die opschepte over haar schoonheid. Zij werd daarvoor gestraft en moet nu in eeuwigheid rond de poolster draaien.
Ook in de vaklessen worden hoofd, hart en handen aangesproken. In een aardrijkskundeles boetseren leerlingen bijvoorbeeld een polderlandschap, of vormen ze met elkaar een topografische kaart van Nederland, waarbij iedere leerling een stad of plaats vertegenwoordigt. In een geschiedenisles is plaats voor jaartallen, maar ook voor het nabouwen van Griekse tempels of Romeinse aquaducten, of voor het naspelen van een Senaatsbijeenkomst. Omgekeerd is in een gymles ruimte voor een beschouwing van het verloop van het spel of in een muziekles ervaringen van én uitleg over mineur en majeur.
Ook nu is steeds de ontwikkelingsfase van de leerlingen van belang, net zoals de individuele ontwikkelingsvragen en de sociale dynamiek binnen de klas. Vanuit pedagogisch oogpunt wegen leraren af wat op dat moment nodig is. Voor de sociale ontwikkeling in een klas kan het bijvoorbeeld waardevol zijn dat leerlingen afzonderlijk een spreekbeurt voorbereiden en geven. Zo krijgt iedere leerling ruimte om als individu gezien te worden en oefent de klas met luisteren naar elkaar. Een andere keer kan het juist goed zijn om samen aan een opdracht te werken.
Ook in een sterk theoretische vakles maakt een vrijeschoolleraar vaak een activerend lesonderdeel waarin hoofd, hart en handen worden aangesproken en met elkaar worden verbonden. Denk aan creatieve verwerkingsopdrachten, practica, voordrachten, filmpjes maken enzovoort.
Om te zorgen dat leerlingen de lesstof verbinden met hun eigen ervaringen en gevoel werken leraren vaak met beelden, vergelijkingen en metaforen. Bij abstracte lesstof zoekt de leraar vaak naar een herkenbare verbinding met de leefwereld van de leerlingen. Of het nu gaat om een letter, een rekenkundige relatie of moleculen die een reactie aangaan: door een beeld of voorbeeld uit het dagelijks leven wordt de leerstof concreter.
Het voorbeeld van Cassiopeia (3.6) laat zien hoe een verhaal levendige beelden oproept en zo de leerling helpt om zich te verbinden met het onderwerp. Dit in tegenstelling tot vaste, gedefinieerde concepten. Een leerling die als feit voor een toets moet leren dat ‘Cassiopeia tegen de klok in rond de Poolster draait’, zal dit gegeven na de toets snel weer vergeten. Een leerling die zich door het verhaal verbonden heeft met het universum, zal voor altijd deze verbondenheid kunnen blijven voelen.
Om leerlingen tijdens het verwerken van de lesstof niet alleen iets over de wereld te leren, maar ook zichzelf te leren kennen, zetten leraren onderzoekend leren in als didactisch middel. Leraren laten de fenomenen van de wereld zien, leren hen waar te nemen en in deze waarnemingen patronen te ontdekken. In plaats van direct de theorie uit te leggen, geven leraren de leerlingen de kans om kleine en grote vraagstukken zelf te onderzoeken en te leren begrijpen.
Een leraar kan bijvoorbeeld een grammaticale constructie (de context van een concept) presenteren door een verhaal te vertellen waarin deze constructie veel voorkomt. Vervolgens kunnen leerlingen vragen stellen zodat de verschillende kenmerken van het fenomeen doorgrond worden. Daarna gaan de leerlingen zelf creatief aan de slag en maken zij zinnen waar de betreffende grammatica in voorkomt om het begrip te verbreden en de stof eigen te maken. Ze verbinden dan hun eigen ervaring met het intellectuele concept dat behandeld wordt.
Vrijeschoolleraren streven ernaar om nieuwe ervaringen, begrippen en fenomenen aan te bieden vanuit een rijke context, het grotere geheel, om van daaruit in te gaan op de onderdelen daarvan. Vervolgens rondt de leraar de les of lessenserie af door weer terug te gaan naar het geheel. Op deze manier kunnen de leerlingen de heelheid van de wereld, de samenleving en hun eigen plaats daarin, steeds ervaren.
Een biologieleraar laat bijvoorbeeld eerst het hele skelet van de mens zien, richt zich dan op de afzonderlijke botten, om weer af te sluiten met het skelet als geheel.
Een geschiedenisleraar kan eerst een overzicht van de geschiedenis schetsen, dan inzoomen op een bepaalde periode, om deze daarna weer in het grotere geheel te plaatsen.
Maar ook de tafels van vermenigvuldiging kunnen zo geleerd worden: 3 (het geheel) = 1 X 3, 6 = 2 X 3, 9 = 3 X 3, etc. En optelsommen: 100 (het geheel) = 10 + 90, 20 + 80, 30 + 70 …
Om pedagogisch-didactisch te handelen helpt het de leraar om zich te verdiepen in de menskunde en ontwikkelingsfasen. Vanuit dat inzicht kan de leraar steeds opnieuw zoeken naar passende vormen en oplossingen.
Een leerling heeft tijd nodig om het geleerde te verwerken. Herhaling van het eerder geleerde en een vast ritme van les- en curriculumopbouw dragen hieraan bij. Op deze manier hebben leerlingen de kans om even afstand te nemen van een onderwerp en het zich eigen te maken.
Het leerproces profiteert van het ritme van vergeten en herinneren. In het leren bestaat een onderscheid tussen vaardigheden die regelmatig om oefening vragen, zoals taalvaardigheden, muziek, wiskunde en het introduceren van nieuwe leerstof. Nieuwe ervaringen of nieuwe leerstof kunnen leraren het beste introduceren wanneer eerder geleerde vaardigheden goed eigen gemaakt zijn. De leerling kan de geleerde leerstof dan laten rusten en zich deze later weer herinneren.
In het vrijeschoolonderwijs is ‘de werking van de nacht’ een bekende uitdrukking. Deze uitdrukking wijst op de nacht die leerlingen nodig hebben om een onderwerp echt eigen te maken. Wanneer leraren de leerlingen niet vragen de lesstof van die dag direct te reproduceren, geven zij hen de kans om er even afstand van te nemen. Oftewel: ‘er een nachtje over te slapen’. Zo’n nachtje erover slapen kan helpen om concepten te overdenken, te herontwerpen en opnieuw op te bouwen.
Met name periodelessen lenen zich hier goed voor. Veel (vak)leraren zien hun leerlingen echter niet elke dag. In dat geval zal de leraar meer tijd moeten besteden aan het opfrissen van de lesstof van de vorige les.
Kunstzinnig onderwijs (niet te verwarren met kunstonderwijs) is onder andere de afwisseling tussen opgaan in een fenomeen (uitademen) en reflecteren; naar binnen keren (inademen). Dat noem je ook wel ‘ademend onderwijs’. Het streven is om elke les en elke dag zo op te bouwen dat inademen en uitademen in een gezonde afwisseling plaats kunnen vinden.
Dat klinkt abstract: hoe zorgt een leraar dat het onderwijs ‘ademt’? Bijvoorbeeld door werkvormen regelmatig af te wisselen, dit helpt om de interesse en aandacht vast te houden. Het is aan de leraar om een variatie aan activiteiten aan te bieden die past bij de spanningsboog van de klas.
Dit vraagt natuurlijk de nodige flexibiliteit: de leraar houdt immers steeds in de gaten hoe de stemming in de klas is en wisselt van werkvorm wanneer het moment daar is. Bij het plannen van de les helpt het om rekening te houden met het moment van de week waarin de les plaatsvindt. Op maandagochtend kun je iets anders van de leerlingen verwachten dan op vrijdagmiddag. Hieronder enkele voorbeelden van activiteiten die je onder in- en uitademen kunt scharen.

Een menskundig uitgangspunt binnen het vrijeschoolonderwijs zijn de zeven levensprocessen:
Deze processen spelen niet alleen in het lichaam een rol, maar ook in het leren. Ze kunnen worden vertaald naar de stappen in een leerproces:
Leerlingen leren door eerst iets waar te nemen, zich ermee te verbinden en patronen te ontdekken. Daarna verwerken en oefenen zij de nieuwe kennis, om deze uiteindelijk zelfstandig en creatief toe te passen. Zo worden denken, voelen en handelen met elkaar verbonden.
Niet elk leerproces verloopt precies hetzelfde of in een vaste volgorde. Soms worden bepaalde stappen opnieuw doorlopen om de kennis verder te verdiepen.