Pedagogisch-didactisch handelen

Het liefst geef ik de leerlingen de moeilijkste vragen waar ze eerst alleen en met elkaar mee aan de slag gaan. Pas na zelf te onderzoeken en te sparren met hun klasgenoten, geef ik de uitleg of oplossing.Judith Weeteling, Geert Groote College Amsterdam.

Inleiding

Het doel van het vrijeschoolonderwijs is leerlingen opvoeden tot volwassenen die beschikken over een helder denkvermogen (hoofd), een evenwichtig gevoelsleven (hart) en wilskrachtig en creatief handelen (handen). Het handelen van de leraar is hierbij essentieel. Hoe zorgen leraren dat de leerling in beweging komt en wat betekent het om leerlingen aan te spreken in hoofd, hart en handen? Daarover gaat het in deze bouwsteen.

1 Wat is het?

Om met de definitie te beginnen:

  • Pedagogiek richt zich op zelfinzicht, op zelfsturing en op de sociale omgang. Pedagogisch handelen gaat over al het handelen dat bijdraagt aan de ontwikkeling van het kind.
  • Didactiek gaat over het overbrengen van leerstof, over het onderwijzen.

Didactiek en pedagogiek kunnen binnen het vrijeschoolonderwijs niet zonder elkaar bestaan. Juist in het samenspel van didactiek en pedagogiek schuilt het kunstenaarschap van de leraar. Zoals een kok het eten bereidt zodat het lichaam de voedingsstoffen goed op kan nemen, zo maakt de leraar de leerstof toegankelijk en bruikbaar voor de leerling door zijn pedagogisch-didactisch handelen. En omdat in de vrijeschool de leerstof als ontwikkelingsstof wordt gezien, wordt de verbinding tussen pedagogiek en didactiek nog sterker.

2 De achtergrond

Het waarom van het pedagogisch-didactisch handelen hangt samen met de antroposofische visie op leren en ontwikkelen van kind tot volwassene. Deze visie gaat zowel in op het doel van onderwijs als op het ‘hoe’ van leer- en ontwikkelingsprocessen. Het doel van het onderwijs is het onderwijzen tot volwassenen met een helder denkvermogen, evenwichtig gevoelsleven en wilskrachtig handelen. Met oordeelsvermogen voor nieuwe situaties en met belangstelling en verantwoordelijkheidsgevoel voor de wereld en de ander. Een volwassene tot slot met inzicht in eigen talenten en leerpunten en het besef altijd lerende te zijn.

Hoewel de leraar een zekere mate van autonomie heeft in het pedagogisch-didactisch handelen, delen vrijescholen vaak de volgende uitgangspunten:

2.1 Verbinding

Wanneer je wilt bijdragen aan de persoonsvorming en sociale vorming van een kind, is een positief pedagogisch klimaat essentieel. Alleen dan voelen leerlingen zich veilig en gewaardeerd en ontstaat er ruimte voor leren en ontwikkelen. Zo’n positief pedagogisch klimaat valt of staat met het contact tussen de leraar en de leerlingen. Dat is ook de reden dat er op de vrijeschool veel aandacht is voor verbinding: van een begroeting bij de deur tot het meerdere jaren als mentor verbonden zijn aan één klas. Ook de kind-en leerlingbesprekingen zijn een voorbeeld van de investering in een gezonde pedagogische relatie.

2.2 De lerende leraar

De leraar doet ertoe. In de eerste jaren bootsen kinderen het handelen na, in latere jaren kijken ze door de ogen van de leraar naar de wereld en spiegelen ze zich in de oordelen van de leraar. Als die leraar zich laat zien als een lerend mens, krijgen de leerlingen dit als voorbeeld. Daarom moet de leraar vrij zijn om vanuit inzicht in de leerstof, de klas en de kinderen vondsten te kunnen doen die bij de persoon van de leraar passen. Iedere leraar geeft zichzelf tijdens het lesgeven.

2.3 Leerstof is ontwikkelingsstof

Zoals gezegd gaan pedagogiek en didactiek op de vrijeschool hand in hand. De leraar gebruikt de leerstof om de ontwikkeling van leerlingen te stimuleren. De leerstof is daarom ook geen doel op zich, maar iets waardoor de leerlingen zich verder kunnen ontwikkelen (zie ook curriculum). Daarom is het wenselijk dat het leerstofaanbod in de eerste plaats breed is én aangepast aan de ontwikkelingsfase van de leerlingen (zie ontwikkelingsfasen). Minstens net zo belangrijk is dat wat aan inzicht, enthousiasme en vondsten uit de leerlingen tevoorschijn komt. Geen vat vullen dus, maar een vuur ontsteken.

2.4 Aanspreken hoofd, hart en handen

De lessen en het handelen van de vrijeschoolleraar dagen de leerlingen daarom uit tot een denken dat doordrongen is van gevoel. Ze trainen de wilskracht en vragen om eigen inbreng, creatief denken en handelen van de leerling. Kortom: onderwijs met én voor hoofd, hart en handen. Het leerproces is een samenwerking van deze drie gebieden. Daarom richt het onderwijs zich op het actief bieden van ruimte voor zelfstandig, creatief handelen (willen), ervaren (voelen) en begrijpen (denken). Denk aan lessen waarbij leerlingen tijdens het verwerken van de lesstof niet alleen iets over de wereld leren, maar ook zichzelf leren kennen.

Daarnaast bieden lessen de mogelijkheid voor de leerlingen om de stof te verbinden met hun eigen ervaringen. Het doel van deze werkwijze is om vanuit de lesinhouden en gezamenlijke activiteiten, via beleving en kunstzinnige verwerking toe te werken naar begripsvorming, kennisverwerving en creatief denken en handelen. Of zoals een leerling uit de elfde klas het formuleerde: 'We mogen veel zelf ontdekken, je kunt je eigen twist eraan geven, ik ervaar vrijheid omdat ik creativiteit en ideeën kwijt kan.'

2.5 Gebruik van beelden en metaforen

Wanneer leraren beelden of metaforen gebruiken, laat dat ruimte om de betekenis en het begrip in de loop van de tijd bij te schaven. Het begrip kan meegroeien met de leerling en de leerling kan er steeds weer een nieuwe betekenis aan toekennen.

2.6 Onderzoekend leren

Door leerlingen zelf fenomenen te laten bestuderen, trainen zij het waarnemen en (na)denken. Ook oefenen zij de wil: de leerstof wordt niet in hapklare brokken aangeboden maar de leerlingen moeten doorzetten, ook als het antwoord even op zich laat wachten. Zo leren zij nieuwsgierig en onderzoekend in het leven te staan en zich met de wereld te verbinden. En als zij zich verbonden voelen met de wereld, dan zullen zij ook eerder de behoefte voelen om de wereld te beschermen en er goed voor te zorgen.

2.7 Holistisch lesgeven

Leraren streven ernaar de leerlingen steeds de wereld te laten ontdekken vanuit het geheel. Zo kunnen leerlingen doordrongen raken van het besef dat zij onderdeel zijn van een groter geheel. Door steeds het geheel voor ogen te houden, en hoe verschillende onderdelen met elkaar samenhangen, kan ook een sociaal besef ontstaan.

2.8 De menskunde

De vrijeschoolpedagogiek gaat uit van de antroposofische menskunde. Deze omvat ideeën met betrekking tot biologische processen en hun relatie ten opzichte van leerprocessen. Dit gaat onder andere over slapen en waken, over de ademhaling, over de zintuigen en het waarnemingsproces, over levensfuncties en denkprocessen. Voor leraren kan dit gedachtengoed een rijke bron vormen.

3 wat betekent dit voor de leraar?

Deze paragraaf beschrijft in vogelvlucht de pedagogisch-didactische handelwijzen die voortvloeien uit de visie en uitgangspunten van het vrijeschoolonderwijs. De beschreven werkwijzen zijn bedoeld als richting, niet als recept of handelingsprotocol. Ze vragen steeds om een afweging van de leraar in de praktijk.

3.1 Werken aan verbinding

Het is niet voor niets dat de vrijeschoolleraar de leerlingen al direct bij de deur begroet. Het contact tussen leraar en leerling is namelijk van groot belang. In de bouwstenen verbinding en onderwijs van mens tot mens wordt het element van verbondenheid verder uitgewerkt.

3.2 De leraar als ontwerper

Het is je misschien opgevallen dat vrijeschoolleraren niet vanzelfsprekend uit een lesboek werken. Veel lessen ontwikkelen zij zelf, waarbij ze hun eigen talenten en vermogens inzetten. Dit draagt bij aan een directer en persoonlijker contact met de klas en maakt het mogelijk om aan te sluiten bij de mogelijkheden, vragen en interesses van de leerlingen. Tegelijkertijd zien leerlingen een leraar die zelf blijft zoeken, leren en scheppen. Een mens die niet alles weet of perfect is, maar zich blijft ontwikkelen.

Zelf lesmateriaal maken kan een pittige taak zijn, zeker voor een beginnende leraar. Het hoeft ook niet allemaal in één keer goed of af te zijn. Zoals Frank de Kiefte zegt: “Je mag ploeteren.” Samenwerken, materiaal lenen van collega’s en inspiratie zoeken helpen om stap voor stap verder te komen. Er is bovendien niet één manier waarop het op de vrijeschool moet. Binnen de kaders van de schoolvisie, de wettelijke eisen en de kerndoelen van de overheid zoekt de leraar steeds naar een passende vorm. De leerlingen, het vak en de pedagogisch-didactische uitgangspunten vormen daarbij de belangrijkste inspiratiebronnen. Wanneer een leraar zich door de kinderen en door de achtergronden van het onderwijs laat inspireren, ontstaat ruimte voor een scheppende manier van werken. Dan wordt pedagogie kunst: dat is de kern van kunstzinnig onderwijs.

'De kunst van de didactiek'

Kompas sprak in 2019 met Frank de Kiefte naar aanleiding van zijn publicatie 'De kunst van de didactiek'. Frank is verbonden aan de Vrijeschool Pabo in Leiden waar hij de vakken Nederlands, didactiek en pedagogie verzorgt. Frank geeft ook les aan zij-instromers.

Naar het interview