Het periodeonderwijs is een bron van kracht in de vrijeschool. Het is een gemeenschappelijke zoektocht, met ruimte voor ieders inbreng. Het is een sociaal proces van leren samenwerken en ervaren hoe verschillend een thema benaderd kan worden.Frans Lutters in Reizen door periodeland
Eén van de belangrijke pijlers van de vrijeschool is het periodeonderwijs. Elke lesdag begint met periode, ook wel hoofdonderwijs genoemd. Tijdens deze eerste uren van de dag staat een bepaald onderwerp centraal. In dit thema lees je over het hoe en waarom van het periodeonderwijs en wat dit voor de leraar betekent.
Op de vrijeschool werken leerlingen in periodes van ongeveer drie of vier weken. Tijdens deze weken werken zij met elke dag de eerste uren aan een bepaald onderwerp. Dit kan een eenmalig thema zijn zoals sterrenkunde of programmeren, maar ook een verdieping van de vakles. Bijvoorbeeld een periode breuken bij rekenen of humor bij Nederlands. Na dit periodeonderwijs volgen de vaklessen waarin vaardigheden geoefend en geautomatiseerd worden en waarin de kunstzinnige vakken worden gegeven.
Hoewel periodes verbonden kunnen zijn met een bepaald vak, kunnen ze ook vakoverstijgend zijn. Zo krijgen leerlingen tijdens de huizenbouwperiode taal- en rekenopdrachten, leren ze metselen, bouwen ze een maquette en maken zij een stadswandeling om naar de verschillende metselverbanden te kijken. In de periode Parcival in de bovenbouw maken leerlingen kennis met elementen van zowel geschiedenis, Nederlands als filosofie.
In de periodelessen kom je regelmatig het periodeschrift tegen. Daarin verwerken de leerlingen zelfstandig de nieuwe stof in woord en beeld. Op die manier maken de leerlingen als het ware hun eigen les- en werkboek. Er zijn ook andere manieren denkbaar waarop leerlingen de lesstof op een kunstzinnige manier verwerken en eigen maken. Zo werken sommige scholen met losse A4-bladen die aan het einde van de periode worden ingebonden tot een boekje. [I] Maar denk ook eens aan een leporello (een vouwboekje), een tafel met een tentoonstelling, een kistje of doos vol verrassingen en informatie, een presentatie, een toneelstuk of een filmpje. Zo kregen leerlingen van het GGCA tijdens de periode Poëzie de opdracht om een creatief product te maken, met als onderwerp ‘Amsterdam, het onvertelde verhaal’, waarin zij beeld en eigen gedichten verwerkten. Producten varieerden van zelf gebonden dichtbundels tot installaties van hout en ander materiaal.
[I] Er bestaan schriften die speciaal ontwikkeld zijn voor de vrijeschool, met zowel gelinieerde als blanco pagina’s is er ruimte voor veel kunstzinnige invulling.
Op veel vrijescholen staan traditiegetrouw dezelfde of vergelijkbare periodes op het rooster, zoals plantkunde in de basisschooljaren en de middeleeuwen in de tiende klas. Lees hierover meer in curriculum. Veel scholen voegen periodes toe of vervangen bestaande periodes om aan te blijven sluiten op de maatschappij en wereld van nu. Denk aan periodes als programmeren, nieuwe media of duurzaamheid.
Leraren hebben relatief veel vrijheid bij het bepalen van de inhoud van de periode en de verwerkingsvormen. In veel gevallen wordt er niet gewerkt met een methode of lesbrief. Leraren geven een eigen invulling en leggen eigen accenten. Ze gaan daarbij uit van de ontwikkelingsfase van de leerlingen. Door te variëren in proces, product en inhoud, is het ook mogelijk om in te spelen op de verschillen tussen leerlingen. De vrijheid van leraren is niet onbegrensd, ook in het periodeonderwijs werken zij binnen de kaders van de overheid, periodedoelen en schoolafspraken.
Kenmerkend voor het periodeonderwijs is de opbouw. Hierin is volop ruimte om het denken, voelen en willen (hoofd, hart en handen) te ontwikkelen. Er is tijd en ruimte voor waarneming, ervaring, kunstzinnige activiteiten, samenwerking, verbinding, uitwisseling en eigen onderzoek.
Hoewel leraren vrij zijn een eigen opbouw te kiezen, maken zij vaak een didactische drieslag[II]:
Nils Kenninck, geschiedenisleraar aan het Geert Groote College Amsterdam (GGCA), over de periode Oudheid in de tiende klas: ‘Hoe ik de les start, hangt af van de klas die ik op dat moment heb. Is er tijd en aandacht, dan laat ik een leerling een stukje voorlezen over het verhaal dat ik de vorige dag heb verteld. Een andere leerling leest dan zijn stukje voor over hetzelfde deel. Samen met de leerlingen bespreken we wat de overeenkomsten en verschillen zijn. Daarna is het tijd voor de nieuwe stof, die breng ik over in een vorm die ik vanuit mijn eigen vermogen afstem op de klas.’ Tot slot wordt de nieuwe stof verwerkt in het periodeschrift of op een andere manier.
[II] Lutters, F. (2018). Reizen door Periodeland.
Sommige leraren hanteren ook de zogenoemde zevenslag. Wie bekend is met de taxonomie van Bloom, zal hier gelijkenissen ontdekken. Blooms model wordt tegenwoordig veel gebruikt om leerdoelen te formuleren die inspelen op de beheersingsfase van de leerling.
De zevenslag wordt in de volgende fasen opgebouwd:
De gedachte is dat elk leerproces begint met waarnemen. Dit gebeurt in het periodeonderwijs bijvoorbeeld via een verhaal, een filmpje of een korte demonstratie. Daarna verbinden leerlingen zich via opdrachten met de leerstof. In de derde fase staat de verwerking centraal. Dat gebeurt door vragen te stellen en oefeningen te doen waarmee zij de stof analyseren en uiteindelijk begrijpen. Door vervolgens te oefenen met de opgedane kennis, kunnen leerlingen de stof echt eigen maken en gaan toepassen in andere contexten. Tot slot kunnen zij gebruiken de kennis om iets nieuws te maken, bijvoorbeeld een kunstzinnige creatie of andere creatieve toepassing.
Hoeveel tijd elke fase in beslag neemt, is afhankelijk van de leraar, de klas en het thema. Zo kan het proces over een periode worden verspreid, maar ook over één of enkele lessen.
Ook zijn er leraren die in combinatie met de drieslag of de zevenslag de periode opbouwen aan de hand van de planeten.
Zie hiervoor het thema Planeetkwaliteiten, waarin hier uitgebreid op wordt ingegaan.
Tijdens een periode zijn leerlingen een aantal weken intensief met een onderwerp bezig. Daarna laten ze het onderwerp weer even los. Dat zorgt ervoor dat de leerstof de tijd heeft om te rusten. Later, tijdens de vaklessen of een volgende periode, wordt de leerstof weer expliciet in het bewustzijn geroepen. Dan blijkt dat de kennis in de leerling is verankerd en de leerling zich de stof heeft eigen gemaakt.[III] Oefenen van zaken die geautomatiseerd moeten worden, gebeurt in de vaklessen, maar dat hoeft niet meteen nadat het in de periode is aangeboden.
[III] Avinson, K., & Rawson, M. (2014). The task and content of the Steiner-Waldorf curriculum. Edinburgh: Floris Books.
Op de basisschool stellen klassenleraren het perioderooster op. Welke periodes in welk jaar gegeven worden, staat redelijk vast, zie het overzicht hieronder. Per school en per leerkracht zullen er verschillen zijn. Zo kiest de ene school in plaats van de boerderijperiode voor een moestuinperiode, en kiest de ene leerkracht in klas 5 voor een periode Europa terwijl de andere leerkracht deze leerstof in de oefenuren onder topografie een plek geeft. Dit overzicht geeft een indruk over de algemene verdeling.
Op veel scholen bepaalt de klassenleraar op welk moment de verschillende periodes in het jaar aan bod komen. Bij het opstellen van het rooster voor een klas houdt hij rekening met het jaarritme van de natuur (bijvoorbeeld plantkunde in de lente wanneer planten en bloemen bloeien) en de jaarfeesten, maar zeker ook met periodedoelen en de ontwikkelingen en behoeften van de klas.
In het voortgezet onderwijs is dat vaak net anders. Er is meestal een perioderooster voor alle klassen en het gehele schooljaar. Dit heeft vooral een praktische reden: zeker in de hogere jaren is het onmogelijk en onwenselijk dat de klassenleraar alle vakgebieden verzorgt. Daarom worden de periodes door verschillende leraren gegeven. Vaak streven scholen in de zevende en achtste klas er wel naar de mentor enkele periodes te laten geven. Dat versterkt de band tussen mentor en klas en geeft leerlingen wat continuïteit en houvast. Het betekent voor leraren dat ze zich in nieuwe onderwerpen moet verdiepen die niet direct met hun vakgebied te maken hebben. Ze ontwerpen dan zelf of samen met collega’s en de vakgroep de periode.

Voor veel leraren is het verzorgen van een periode een inspirerende activiteit. Tegelijkertijd is het best een klus, zeker voor leraren die nog niet zo ervaren zijn in het ontwerpen van zoveel lesuren zonder lesboek. Gelukkig zijn er verschillende bronnen te vinden die kunnen helpen bij het plannen en voorbereiden van de periodes. Onderaan dit thema vind je een overzicht van literatuur en hulpbronnen die je kunnen helpen bij het roosteren, ontwerpen, voorbereiden en uitvoeren van een periode.
Een periode beslaat doorgaans meerdere weken. Dat betekent dat leraren niet alleen nadenken over de opbouw van een afzonderlijke periodeles, maar ook over de opbouw van de periode als geheel. Om dit geheel van de grond te krijgen, kan het helpen om bij het ontwerpen na te denken over wat de leerlingen aan het einde van de periode moeten hebben geleerd, gemaakt of ervaren hebben.
Leraren kunnen werken met de drieslag of zevenslag zoals hierboven beschreven. In het laatste geval kunnen ze bijvoorbeeld een week de tijd nemen om de zeven stappen te doorlopen. Bij een periode van drie weken kunnen zo drie deelonderwerpen aan bod komen. Bij een volledig nieuw onderwerp kunnen ze de stappen zelfs over alle periodeweken verdelen. In de laatste week is er dan ruimte om toe te passen en te creëren.[IV]
Goed om te weten is dat het een worsteling kan zijn om alle onderdelen van het proces voldoende aandacht te schenken en ook nog eens de leer- en periodedoelen te halen. Het kan helpen om te spelen met de volgorde: starten vanuit het thema en kijken welke doelen daaraan te verbinden zijn. Ook interessant is het om de leerlingen zelf eens te vragen wat ze over de periode-inhoud willen leren.[V]
[IV] De reader van de BVS ‘Periodeonderwijs: werkplaats in de tijd’ werkt beide ritmen uit: de drieslag en de zevenslag, inclusief voorbeelden.
[V] zie ook: door Roem, T. Periodeonderwijs.
Elke periode wordt idealiter afgesloten op een manier die bij de inhoud past. Het is aan de leraar om een passende vorm te ontwerpen. Soms is een cognitieve vorm heel logisch, bijvoorbeeld met een proefwerk of toets. Maar er zijn veel meer mogelijkheden. Denk aan een presentatie van gemaakt werk of een markt waarbij leerlingen zelf vertellen over een onderwerp. Een toneelperiode kan resulteren in een voorstelling. Zeker in de bovenbouw kunnen leerlingen een (deels) zelfstandig onderzoek doen waarbij ze de verworven lesstof gebruiken voor een eigen creatie.
De lesstof in een nieuwe context toepassen en het zelf creëren zal de ene leerling makkelijker afgaan dan de andere leerling. Gedifferentieerde opdrachten kunnen hier helpen om de behoeften van alle leerlingen te bedienen. In de bouwsteen pedagogisch-didactisch handelen vind je een uitgewerkt voorbeeld van de zeven levensprocessen in het grammaticaonderwijs.
Het onderwijs in Nederland is overigens sterk op meiden gericht. Daardoor hebben jongens de neiging tot onderprestatie. Door periodeopdrachten te bedenken waarbij kinderen zelf mogen onderzoeken en ontdekken komen jongens meer tot hun recht. Ook daartoe leent iedere periode zich.
Een belangrijk onderdeel van het periodeonderwijs is de werking van de nacht. Dit wijst op de nacht die leerlingen nodig hebben om zich een onderwerp echt eigen te maken. Een nacht kan namelijk helpen om concepten te overdenken, te herontwerpen en opnieuw op te bouwen. Zie ook: spirituele oriëntatie. Het periodeonderwijs leent zich hier goed voor. Bijvoorbeeld door de ene dag de leerstof aan te bieden en de leerlingen de volgende dag actief met een verwerkingsopdracht aan de slag te laten gaan. Het is ook goed denkbaar dat er aan het einde van de les tijd wordt gegeven om uit te werken. In dat geval zal de uitwerking een weerslag zijn van de waarneming en verwerken de leerlingen de volgende ochtend de stof in dialoog of in een andere vorm.
Naast al deze bronnen mogen leraren de bestaande inhoud van hun eigen rugzak ook niet onderschatten: hun talenten, ervaring, (vak)kennis en interesses. Ook de eigen vrienden- en kennissenkring kan inspirerend zijn. Is daar iemand bij die gespecialiseerd is in een bepaald onderwerp of ambacht? Het is slim om hier ook de ouders eens naar te vragen: wat zijn hun specialismen? Leraren kunnen een ouder (opa, tante, buurvrouw) eens uitnodigen in de les, of met de klas bij iemand op bezoek gaan.
Vergeet tot slot niet dat de leerlingen zelf een inspiratiebron kunnen zijn. Door met hen het gesprek aan te gaan, verzamelen leraren al aanwezige kennis en ervaringen. Bovendien maken leraren hen al enthousiast voor het thema of onderwerp van de komende weken.
Veel periodes zijn al vele malen gegeven. Kortom: leraren hoeven het wiel niet zelf uit te vinden. Het helpt om eens op lesbezoek te gaan bij een collega die dezelfde periode op een eerder moment aan een andere klas geeft. Het voordeel is dat veel periodes ook op andere vrijescholen worden gegeven. Het loont zeker de moeite om eens navraag te doen bij collega’s op een andere school. Bovendien zijn er soms specifieke schoolafspraken over hoe, wat en wanneer een begrip of vaardigheid wordt aangeleerd. Denk aan afspraken over de vorm of volgorde van de aan te leren letters of over wanneer kinderen gaan schrijven met de vulpen. Omdat deze afspraken vaak ongeschreven regels zijn, is het raadzaam om hier actief naar te informeren.
Zeker in het voortgezet onderwijs kan het voorkomen dat een leraar een periode geeft aan een klas die hij nog niet kent. Dan is het lastig vooraf in te schatten welke aanpak en invulling het beste past bij deze leerlingen. Het kan helpen om bij het ontwerpen van de periode met de mentor van de klas te spreken over het karakter van de groep. Of navraag te doen bij de collega die onlangs een andere periode aan de klas gaf. Tot slot kan het helpen om nog niet de hele periode uit te tekenen. Als alleen het raamwerk met het oog op de periodedoelen staat, is er nog alle ruimte om de precieze daginvulling af te stemmen op de klas.
Trix Roem staat al 39 jaar met veel plezier voor de klas. Haar leerlingen genieten nog geregeld van een inspirerende periode en ondertussen leren startende leraren veel van de doorgewinterde vrijeschoolleraar. Want beginnen met lesgeven vraagt veel tijd en energie, weet Trix: ‘Je bent veel tijd kwijt aan het bedenken en organiseren van je lessen. Een periode geven betekent zelf de lesstof samenstellen voor een project van drie à vier weken. Dat is best een klus.’
Veel literatuur is gericht op het basisonderwijs, maar ook zeker te gebruiken voor de periodelessen in het voortgezet onderwijs. Frank de Kiefte geeft hier in zijn boek De kunst van de didactiek[VI] bijvoorbeeld een bruikbaar stappenplan voor. Dit stappenplan kan met name de beginnende vrijeschoolleraar veel houvast bieden. Zo geeft De Kiefte handvatten voor het formuleren van concrete doelen, spreekt hij over de inhoudelijke verkenning, context en het verzorgen van een pakkend begin. Ook behandelt hij het raamwerk van een periode, de dagelijkse opbouw en differentiatie binnen de les.
Veel vrijescholen bieden interne cursussen of opleidingen aan waarin het periodeonderwijs een belangrijke plaats heeft. Ook is er de zomerweek die leraren (kleuterklas t/m klas 8) kunnen bezoeken. Deze zomerweek geeft je handvatten, inspiratie en concrete plannen voor het komende schooljaar mee. Voor informatie over inhoud en opbouw van periodes in het voortgezet onderwijs kun je een kijkje nemen op de Vrijeschool Wiki.
BVS-schooladvies biedt leraren een aantal handreikingen en hulpmiddelen om tot een goede invulling van de periodelessen te komen. Zo is er voor ieder leerjaar een praktisch katern met de leerlijnen van alle domeinen die dat specifieke jaar aan de orde komen, vaak ook gekoppeld aan het jaarthema. Deze katernen geven de leraar houvast en kaders. Enerzijds biedt zo’n katern een compleet overzicht van de doelen van de domeinen rekenen, taal, geschiedenis, biologie, vertellen, schilderen, vormtekenen, muziek en dergelijke. Anderzijds is er ook aandacht voor het ‘hoe en waarom’. Op de meeste basisscholen zijn deze katernen voor leerjaar 1 t/m 6 (groep 3 t/m 8) aanwezig maar ze zijn ook zelf te bestellen op de website van de BVS-schooladvies. Ook Het Kompas en het boek Waarden in het onderwijs[VII] staan twee handige checklists voor het ontwerpen van (periode)lessen.
[VI] Kiefte, F. de (2019). De kunst van de didactiek. Zeist: Uitgeverij Christofoor.
[VII] Passsenier, H. (2020). Waarden in het onderwijs. Zeist: Uitgeverij Christofoor.
Over de inhoud van periodes